15 nov. 2015

Grenstaal



Het leuke van een taal is dat ze zich weinig aantrekt van landsgrenzen. Weinig, niet niks. Als ik hier in Maastricht de grens naar België oversteek en bijvoorbeeld een praatje maak met een inwoner van Heukelom dan kan ik dat meestal doen in het Maastrichts. De dialecten lijken zoveel op elkaar dat er geen misverstanden mogelijk zijn. Vaak zijn de enige verschillen die ik hoor – als niet-native speaker van het Maastrichts – de omkering van de uitdrukking ‘vast en zeker’ naar het Vlaamse ‘zeker en vast’ en het Vlaamse stopwoordje ‘se’. Met Vlaams bedoel ik dan de taal zoals die in geheel Vlaanderen gesproken wordt, het Belgisch-Nederlands of Zuid-Nederlands. Wikipedia zegt daar het volgende over: 


Het Vlaams wordt momenteel niet als officiële taalbenaming erkend, hoewel die benaming officieus wijd verspreid is. Volgens velen is het Vlaams erg verschillend van het in Nederland gesproken Nederlands, en ook van het Standaardnederlands zoals officieel vastgesteld door de Nederlandse Taalunie. Het “Vlaams” (of "Zuid-Nederlands") verschilt van het "Noord-Nederlands" op het gebied van uitspraak, woordenschat en zinnen.


Limburgs (Lichtblauw is Ripuarisch in Nederland)
In België wordt het Belgisch-Limburgs dan een Vlaams dialect genoemd. Het Nederlands-Limburgs in Nederland een Nederlands dialect. Maar als je het zo naast elkaar zet, ziet iedereen natuurlijk dat dat onzin is. Aan beide zijden van de grens wordt Limburgs gesproken. Aan de ene kant met steeds groeiende Vlaamse en aan de andere kant met een steeds groeiende Nederlandse invloed. Heel langzaam is hier een soort taalgrens aan het groeien. Een taalgrens van een heel andere orde dan die tussen Vlaanderen en Wallonië, maar toch een scheiding. Het Limburgs is in Nederland, België en Duitsland een minderheidstaal.



Als je vanuit Maastricht zo’n 30 kilometer naar het oosten gaat, steek je weer
Ripuarisch (blauw)



een taalgrens over, nu die tussen het Limburgs (= Südniederfränkisch) en het Ripuarisch of Nordmittelfränkisch. Tot die dialectgroep behoren bijvoorbeeld het Kölsch en het Öcher Platt (Keulen en Aken) maar ook het Kerkraads en het Vaals’ (Kirchröatscher en Volser plat). Het Limburgs is voor de meeste Nederlanders nog wel redelijk te volgen. Het Ripuarisch meestal niet. Zelf versta ik het goed, maar het spreken kost vrij veel moeite.

Als illustratie plaats ik hier een citaat uit de Ripuarische Wikipedia: 


Ripoarėsch Sprooche eß enne Bovverbejreff för Sprooche ussem Rhingland uß dä Jääjend zwesche St. Vith, Aahwieler, um Kirchroa, Nüss, Düsseldorf, Jläbbisch, Waldbröl, Siburg, Remaren, met Oche, Bonn un Kölle dren. Et jitt enne Houfe Ripoarėsch Sprooche, jood mii wi 120, un fass övverall sin se sesch jannz äänlėsj, wenn et de Nohpere sin, un de Ungersheed weede emmer jrüüßer, wënn_se wigger usseneeijn sinn. Esu jet weed og e Dijalekskontiinuum jenannd.


Ook deze taal wordt dus in drie landen gesproken: Duitsland, België en Nederland, maar ze gaat in al die landen ook steeds verder achteruit, zoals dat nu eenmaal gaat met dialecten. Is dat erg? Wat onvermijdelijk is, kun je misschien beter niet erg vinden. Vervelend is wel dat dit dialect, zoals zo veel andere, inmiddels verwordt tot het brabbeltaaltje van carnavalisten en vroegerfetisjisten, waardoor nieuwe teksten in die taal meestal niet verder komen dan stompzinnig geneuzel en Vrujjer woar alles besser.



Taal is het middel bij uitstek om mensen te verbinden, al lijkt het vaak net de andere kant op te worden gebruikt. Zeker in de tijden van de natiestaat was (en is) taal een belangrijk middel tot eenwording binnen de grenzen en tegelijkertijd een afgrenzing naar buiten. Doordat de contacten en de mobiliteit binnen die natiestaten groeiden, ontstond er een soort standaardtaal. Op dialecten daarvan (of dat nou een correcte term voor de taal uit een bepaalde streek was of niet) werd neergekeken. Het was en is de taal van de achtergeblevenen.



In die tijd werd Heerlen het centrum van de kolenwinning en de bijbehorende industrie. Tot die tijd werd in Heerlen natuurlijk ook een dialect gesproken, een soort mengvorm tussen het Limburgs en het Ripuarisch, of misschien moet ik zeggen Limburgs met Ripuarische invloeden. Er zijn niet meer veel Heerlenaren die die taal beheersen. Dat komt doordat uit alle delen van Nederland, vooral uit de armere natuurlijk, mensen kwamen toestromen om hier te werken. Ook uit verschillende buitenlanden (Polen, Italië) werden mensen aangetrokken. Dat vroeg natuurlijk om een gemeenschappelijke taal. Dat werd het Steenkolen Hollands waar Heerlen nog steeds bekend om staat. Zelf ben ik min of meer tweetalig opgevoed. Thuis spraken we dialect. Mijn grootvader sprak Nederlands (de Overijsselse variant), mijn vader en zijn broers spraken onderling Nederlands. Met zijn zus sprak hij dan weer dialect. Op school spraken en leerden we Nederlands. Door die tweetaligheid heb ik me nooit op het glibberige vlak van het Steenkolen Hollands hoeven begeven. 


Steenkolenhollands
Ik vind het geen fraaie taal. Ze combineert het Standaardnederlands met de zangerigheid die het Limburgs en het Ripuarisch eigen is (zgn. stoot- en sleeptonen). Met een zekere regelmaat worden er woorden uit het plaatselijke dialect ingevoegd en de s-klank wordt vaak een sj-: Hij sjtond op de sjtoep. Het was een soort noodtaal. Je werkte in de pijler in de mijn, de boel stond op instorten en je moest je collega uit Overijssel, Polen of Italië heel snel duidelijk maken dat hij moest wegwezen. Dan let je niet op de regeltjes. Het was een allegaartje waarmee je je in dringende gevallen in werk of sociaal leven kon redden. Dat verschijnsel is natuurlijk niet uniek voor Heerlen of de Limburgse Mijnstreek. Het komt over de hele wereld voor waar talen plotseling op elkaar stoten.



Dr. Molly
Een andere, geplandere oplossing voor dit taalprobleem werd gezocht in Neutraal Moresnet waarover ik in mijn blog Allegrenzenweg schreef. Ook hier kwamen verschillende talen bij elkaar: Frans, Duits, Nederlands en verschillende dialecten uit de streek (Limburgs en Ripuarisch). Toen het neutrale staatje werd opgericht(1816), had het 256 inwoners, in 1858 waren er dat 2572. Dit had alles te maken met de zinkmijn van Vieille Montagne. De Duitse Dr. Molly, een gezaghebbend huisarts en arts van de mijn in het plaatsje Kelmis, was een overtuigde volgeling van de vier jaar oudere Ludwik Zamenhof, die het Esperanto ontwikkelde.

Uit de Wikipediapagina over de bedenker van deze kunsttaal laat zich al lezen waarom er volgens hem behoefte bestond aan een wereldtaal:



Ludwik Lejzer Zamenhof (Pools: Ludwik Łazarz Zamenhof, Eliezer Lewi
Zamenhof
Samenhof; Esperanto: Ludoviko Lazaro Zamenhof; Nederlands ook wel: Lodewijk Lazarus Zamenhof) (Białystok, 15 december 1859 – Warschau, 14 april 1917) was een Joods-Litouwse (Poolse) oogarts, polyglot en filoloog maar werd vooral bekend als bedenker van de internationale hulptaal Esperanto. Hij was de zoon van Mordechai Mark Zamenhof en Rozalia Zofer. Zijn moedertalen waren Russisch, Jiddisch en Pools (volgens biografen A. Zakrzewski, E. Wiesenfeld) maar hij sprak ook vloeiend Duits. Later leerde hij Frans, Latijn, Grieks, Hebreeuws en Engels, hij had ook interesse in Italiaans, Spaans en Litouws.



Evenals Zamenhof vertrouwde Dr. Molly er op dat een gemeenschappelijke taal voor meer begrip zou zorgen tussen de hopeloos verdeelde naties en volkeren van die tijd. Hij wilde van zijn landje, van Neutraal Moresnet de eerste Esperanto staat ter wereld maken. Daartoe riep hij in 1908 de hele bevolking van Neutraal Moresnet op naar de zaal van de lokale schutterij te komen. Uiteraard waren ook veel Esperantisten uitgenodigd. Hij riep op een Esperanto-vrijstaat op te richten onder de naam Amikejo (Plaats van grote vriendschap). De plaatselijke mijnwerkerskapel speelde het volkslied voor de op te richten staat, de Amikejo-Mars. Intussen had hij ook al een eigen wapen en eigen postzegels voor zijn land laten ontwerpen. De vlag zou zwart-wit-blauw worden, de kleuren uit het embleem van de mijn.

Natuurlijk kwam er allemaal niets van. In 1914 begon de Eerste Wereldoorlog, een van de vele bedroevende hoogtepunten van het nationalisme. Na afloop werd België uitgebreid met Neutraal Moresnet en met zijn Duitstalige gebiedje. In Kelmis worden nog steeds cursussen Esperanto gegeven. Ik moet er maar eens een gaan volgen.

Wat mij betreft, kunnen er in ieder geval niet genoeg talen zijn. 


Toegift: Stephen Fry over taal




13-11-2015

zullen we de haat maar aan de weg gaan zetten, jij en ik
bij het vuil dat er al jarenlang te rotten ligt
en zullen we erbij gaan zitten
zoals we zaten op die dag van opgetrokken benen

zullen we schuchter lachen naar elkaar
en hopen dat de zware mannen van de ophaaldienst
vergeten dat jij het bent 
en ik (een beetje)

en zullen we als we hun ruggen zien
koude schouders warmen aan elkaar
en dan de stad ingaan
het licht?





10 nov. 2015

Winnetou V: de erfenis van Pierre Brice

In het kader van de onsterfelijkheidsbevordering kan ik het niet laten nog eens enige aandacht te besteden aan Winnetou. Nou ja, aan Pierre Brice dan, want die is in het afgelopen voorjaar overleden. Op 6 juni om precies te zijn. In mijn laatste Winnetou-blog schreef ik over hem. (Zie de links hiernaast.) Hij werd 86. Hij stierf met hoge koorts aan de gevolgen van een longontsteking. Misschien heeft zijn echtgenote nog wel het Ave Maria van Karl May opgezet. Ik hoop het.

Toen ik op nu.nl over zijn dood las, voelde ik niet de behoefte daar een blog aan te wijden. Ik meldde het op Facebook, met een verwijzing naar mijn blogs erbij. Lijkenpikkerij, natuurlijk. Meer dan een heel vage weemoed kwam er niet aan te pas. Maar op 7 november 2015 stond  er weer een bericht op nu.nl. Nu over de erfenis van Pierre Brice. 
Veel van zijn bezittingen werden geveild. De opbrengst gaat naar een goed doel. Zijn doopkleding werd volgens het bericht verpatst voor 460 Euro, een zelfgeknutselde duikboot voor 550 Euro.
Er was veel interesse voor de befaamde Zilverbuks. En daarin ben ik ook wel geïnteresseerd. Niet zozeer om het ding te kopen, maar gewoon om te weten hoe het met het ding gaat. Dus tikte ik het woord in bij Google: Silberbüchse. En zo kwam ik al snel op de site Silberbüchse – Förderverein Karl-May-Haus e. V. die opent met de zin: 

Winnetou lebt!

En zo is dat.
De vereniging steunt het Karl-May-Haus (geboortehuis) in Hohenstein-Ernstthal, vlak bij Chemnitz in Sachsen in het oosten van Duitsland. Een van de eerste zaken die me opvalt op de site is het plaatje hiernaast: 

Karl May lebt.

Blijkbaar gaat er nooit iemand dood. Behalve Pierre Brice dan. Hoewel…

Op geen van beide sites kwam ik een bericht tegen over de dood van Pierre Brice en al helemaal niet over de veiling. Dat zal er ongetwijfeld mee te maken hebben dat echte Karl-May-adepten de boeken kennen en waarderen en de films veel minder, want minder overlatend aan de fantasie. 
Ik reken mezelf niet tot de Karl-May-adepten. Hoewel ik veel van hem gelezen heb, kan ik ook van de films genieten, al vond ik de verschillen tussen de twee vertolkingen van het verhaal ook toen altijd al in het nadeel van de film uitvallen. Maar ik had de boeken dan ook gelezen voor ik de films zag. En nog belangrijker, denk ik: ik zag de films op een latere leeftijd. Op een leeftijd dat ik met andere literatuur begonnen was. Met Mulisch, Hesse en Brecht. Ik zag de films op verveelde zaterdagavonden of zondagmiddagen, ik doodde de tijd met Winnetou en schaamde me licht voor de slechte smaak die ik aldus tentoonspreidde. Ik huilde bij de dood van Nsho-Tshi en bij die van het grote opperhoofd zelf, maar wreef mijn ogen stiekem droog opdat mijn anderhalf jaar oudere broer en zijn eerste vriendin mijn kinderlijke zwaktes niet zouden ontdekken. 

Maar goed, daar hadden we het allemaal niet over. We hadden het over de Zilverbuks, althans daar wilde ik het over hebben. Intussen heb ik ontdekt dat de Zilverbuks die op de veiling van eigenaar zal wisselen niet een van de buksen uit de films is, maar een Winchester die Pierre Brice heeft laten bewerken voor zijn optredens in de Karl-May-Festspiele in Elspe. Dat leerde ik uit het interview met Brices weduwe Hella dat de Frankfurter Allgemeine Zeitung op 6 November) publiceerde. Op de foto zie je haar met het bewuste exemplaar.


Een interview in de FAZ! 
Naar aanleiding van en over een veiling van parafernalia die bij de enige belangrijke rol hoorden die een redelijk middelmatige acteur ooit speelde. 

En weer vraag ik me af welke zenuw het nu precies was die Karl May, Winnetou en Pierre Brice raakten bij zoveel Duitsers. En -ondanks de veranderende tijdgeest en hormonenhuishouding- ook bij mij. 
Het was een soort romantiek natuurlijk. De twijfelachtige romantiek van de hele, duidelijke wereld waarin goed en kwaad door strakke lijnen gescheiden werden. Maar ook de akelige romantiek waarin het kwaad vaak (maar zeker niet alleen) vertegenwoordigd werd door exotische (halve) wilden, waarin de meeste 'normale' mensen vooral erg dom waren en waarin de hoofdpersoon (en dat was niet Winnetou, maar Old Shatterhand) de verteller was die de waarheid in pacht had. Old Shatterhand hield van zijn Indiaanse vriend, hij vond hem de meest edele mens die hij ooit had ontmoet, maar hij was degene die hem bij tijd en wijle richting moest geven. Winnetou was een nobele wilde die door Old Shatterhand uiteindelijk op het juiste Christelijke spoor werd gezet. 
Ik herinner me, dat de arrogantie van Schar-lih, zoals Winnetou zijn vriend aansprak, me ook bij de eerste lectuur al tegen de borst stuitte. Maar ik bleef lezen. Blijkbaar aanvaardde ik toen irritante autoriteit. En blijkbaar was ik niet de enige die dat deed. Old Shatterhand was een soort leraar.



Karl May was ook leraar. Althans in het begin van zijn carrière. Hij werd ontslagen toen hij (in de woorden van de site van het Karl-May-Haus) een horloge zonder toestemming gebruikte, hetgeen als diefstal werd uitgelegd en waarvoor hij zes weken moest zitten. Het geldgebrek dat het gevolg was van zijn ontslag, dwong hem tot meer diefstallen, waarvoor hij in totaal zo'n acht jaar het gevang in moest. Tijdens verschillende pogingen uit de handen van justitie te blijven schijnt hij zich regelmatig te hebben verstopt in wat nu bekend staat als de Karl-May-Höhle. Het is geen grot maar een verlaten mijn, die voor zijn herbenoeming gewoon 'Eisenhöhle' heette. Het onderstaande filmpje laat de grot zien, of eigenlijk vooral niet zien, want het is er erg donker.





Deze wetenswaardigheden heb ik gevonden op de site van de Karl-May-Stiftung en van die site zal ik hieronder een stukje tekst citeren. Ik weet niet wie het geschreven heeft (geen zin het op te zoeken), maar het is een fraai stukje onverteerbaar Duits proza. Een zin waarvan je denkt: gebruik nou toch eens een punt in plaats van een komma. Haal eens rustig adem. Het stukje gaat over de grot en de reden waarom Karl May zich daar verstopte, maar het behandelt meteen maar een aantal van de misdaden die hij beging terwijl hij in die grot woonde en de dorpjes waarin die plaatsvonden.

Nach seinen Auftritten als "Falschgeldfahnder" in Wiederau bei Burgstädt und Ponitz bei Meerane, als Pferdedieb in Bräunsdorf bei Hohenstein und vor dem Diebstahl der Billardkugeln im Restaurant von Viktor Reinhard Wünschmann in Limbach (Sachsen) sowie dem Auftritt im Hause des Bäckermeisters Wappler in Mülsen Sankt Jacob bei Zwickau, die nach seiner Aufgreifung am 4. Januar 1870 in Niederalgersdorf in Nordböhmen zu seiner Verurteilung durch das Bezirksgericht Mittweida am 13. April 1870 führten, suchte und fand Karl May Unterschlupf und Versteck in der im Oberwald nördlich von Hohenstein-Ernstthal gelegenen "Eisenhöhle", um der Suche der Hohensteiner Polizei und ihren zivilen Helfern zu entgehen.

Eenmaal uit de gevangenis begon hij te schrijven. Maar daarover later misschien meer.
Belangrijk aan zijn periode in de gevangenis is nog dat hij hier toenadering vond tot het katholicisme. En dat leidde er later weer toe dat hij zijn grote ster Winnetou liet sterven onder de klanken van zijn eigen 'Ave Maria'.

Genoeg, voor deze keer. Meer info over de Zilverbuks heb ik nog niet gevonden, ik weet ook nog niet hoeveel ze bij de veiling heeft opgebracht. Ik wil waarschijnlijk nog wel iets meer vertellen over Karl May, en over Pierre Brice en zijn vrouw, waarvan ik eergisteren een interview las over die veiling en over haar man. En over de talloze sites die met Karl May te maken hebben. 
Ik heb in ieder geval weer genoten van een zwerftocht door de krochten van het internet. En uiteindelijk als ik klaar ben met mijn zoektocht naar Winnetou, naar zijn schepper en naar zijn vertolker, zal ik -als neveneffect- meer weten over mezelf. 
Niet dat het me daarom te doen is. Zo interessant ben ik niet. Maar ik hoop dat ik later, op de eeuwige jachtvelden, af en toe een zacht 'ping' hoor als iemand een van mijn blogs aanklikt over het Grote Opperhoofd der Apachen.



29 okt. 2015

Karel in Berlin



Er war ein richtiger Romantiker. So'n altmodischer, mit viel Tod im Kopf. Das erste was er mich gefragt hat, war ob ich mit ihm auf die Pfaueninsel gehen wolle. Das wollte ich. War ja selber noch nie da gewesen, obwohl ich ja ein 'richtiget Berliner Jöhr' bin. So nannte er mich, der Holländer. Das gefiel ihm. 
Er mochte das sowieso, das altberlinerische, das Berlin vom Zille und so. Seine Lieblingskneipe war ja auch das Zille-Markt in der Bleibtreustraße. Die Bleibtreustraße! Da war ich zuvor auch noch nie. 
Das ist schon komisch wenn so'n Tourist einem sagt was es alles zu tun gibt in Berlin. 
Ich war richtig froh als er mir vom Schwarzen Café erzählte, an der Kantstraße, das kannte ich, das habe ich 1990 besucht. Da war ich zwanzig. Er hat es früher besucht, 80 oder 81, er wusste es nicht genau. Da konnte ich ja überhaupt noch nicht da gewesen sein, wohnte ja originell am Müggelsee. Später bin ich dann zum Karl nach Mitte gezogen und da wohne ich jetzt immer noch.

Als der Karl dann 2011 gemeint hat, er brauche etwas jüngeres, hab' ich ihn in Spandau besucht, bei seiner Nutte. Ach, nein, sie war keine Nutte, sie war ein nettes Mädchen, dass wahrscheinlich zum ersten mal richtig verliebt war. Aber jetzt lebte sie da in ihrer Einzimmerwohnung mit so'nem Typ der zwar nicht groß, aber größer und versorgter gewohnt war. Das Mädchen tat mir Leid.

In dieser Zeit hatte ich schon meine erste Kontakte mit Karel. Im Internet. Das war schön. Zwei Welten, und so. Aber das mit den Namen, das war schon komisch, natürlich. Karl und Karel. Das extra -e- gefiel mir, aber ich hab mich von Anfang an gefragt, ob das auch etwas bringt, so'n extra -e-. 

Nein, das bringt nichts, weiß ich jetzt, und wusste ich eigentlich auch damals schon. Außer einem schönen Tag und einer herrlichen Nacht. Die hatten wir. Und darum hasse ich ihn jetzt. Das war der Schnitt in unserem Verhältnis. Nein, das war unser Verhältnis. Vorher war es schön, und Hoffnung, und verliebt und verloren in seinen Augen. Nachher war er weg und habe ich ihn nie mehr gesehen oder gesprochen. Die E-Mails, die SMS die ich ihm nach seiner Berlinreise geschickt habe, wurden nicht mehr zugestellt, die Adresse, die Nummer stimmte nicht, gab es nicht, nicht mehr, war non-existent.

Aber in den paar Tagen zwischen unserer letzten E-Mail und seiner Abreise aus Berlin haben wir gelebt, geliebt; geliebt und  … Scheiße. Im Nachhinein war alles Scheiße. 

Aber gut, wenn Sie jetzt so fragen, und auch ganz aus Holland hierher gekommen sind, dann will ich mal nicht so sein. Da werde ich die Geschichte nochmal erzählen, na ja, nochmal stimmt eigentlich nicht, ich habe bisher keinem etwas erzählt vom Karel. Weil ich mich ein bisschen schäme eigentlich für das Ganze. Meine Freundinnen lachen mich aus wenn ich denen erzähle dass ich mich übers Internet in jemanden verliebt habe. Die finden das sowieso blöd dass ich so viel on line bin. Jetzt mach ich das auch nicht mehr, so auf Dating Sites, einsame Herzen und so'n Kram. Ich geh jetzt öfters mit der Angelika Tanzen oder in die Kneipe oder so. Da gibt's ja auch Männer, nichtwahr? Und so ab und zu, schätze einmal im Monat, nehme ich dann einen mit zu mir nach Hause. Und das genügt dann.

Aber mit dem Karel war das also alles ganz anders. Wir haben uns auf irgendeiner Seite kennengelernt, haben E-Mailadressen ausgetauscht und da hat er mich in langen E-Mails sein ganzes Leben erzählt. Einfache, nette Geschichten aus seiner Jugend zuerst, über seine Eltern, seine Schwester. Na ja, was man eben so erzählt. 
Auch ich habe ziemlich lange Mails geschrieben am Anfang. Meine Jugend im Osten, das fand er schrecklich interessant. Wie was denn dies? Wie war denn das? Schrecklich viele Fragen hat er gestellt. Aber nach fünf, sechs so langen Mails hat er weniger Fragen gestellt und mehr erzählt. Über die Scheidung in die er jetzt verwickelt sei, wie er jetzt wohnte, alleine in einer viel zu teuren Wohnung und wie er sich schuldig fühlte, weil es seiner Frau jetzt eigentlich recht dreckig ginge. Aber ihm auch, wenn er so alleine in einem alten Bett schlafen wollte, aber nicht konnte und dass er sich nach einem warmen Körper sehne an dem er sich kuscheln könne und der sich ja auch an ihm … und so weiter, und so weiter. 

Kurz: ich bin drauf reingefallen. Ich hoffe Sie verstehen, dass ich keine Lust habe das alles ganz detailliert zu erzählen. Es dauerte nicht lange da haben wir geskypet. Und dabei bin ich weiter gegangen als ich für möglich gehalten habe. Ich bin ja nicht prüde und ich habe immer vom Sex genießen können, aber diese Art von Sex kannte ich nicht. So von Bildschirm zu Bildschirm. 

Aber gut, wir haben uns so kennengelernt. Besser: er hat mich kennengelernt, ich ihn kaum, weiß ich jetzt. Und dann hat es auch nicht mehr lange gedauert, bis er sagte, er komme in der nächsten Woche mal wieder nach Berlin und bei der Gelegenheit wolle er mich dann besuchen. Er habe schon ein Zimmer reserviert in Hotel Mitte an der Neuen Schönhauserstraße. Nein, nein, ein Hotel wäre besser, meinte er. Das gäbe ja nur extra Druck, wenn er bei mir, und so. Das wäre nicht gut, sagte er, wir kannten uns ja eigentlich noch gar nicht. Das fand ich schön, dass er das sagte, obwohl es natürlich auch schon komisch war, weil wir uns ja schon mehrmals nackt gesehen hatten und allerhand Unsinn gemacht. Zwar nur über unsere Laptops aber dennoch. 
Außerdem, meinte er, hätten wir dann beide die Wahl. Das fand ich dann auch.

Als er dann aus dem Zug stieg und mich keusch küsste, flüsterte er dass er zur Pfaueninsel wolle. 'Jetzt?'
'Ja, jetzt gleich. In zehn Minuten fährt die S7.'
Während der Fahrt erzählte er über seinen ersten Besuch an der Insel. Vor vielen, vielen Jahren (sagte er) fuhr die Fähre ihn hinüber. Und gleich beim betreten der Insel habe er es gespürt: auf dieser Insel werde er seine große Liebe finden. Die Pfauen, der Schloss, das Zwillingshaus, hier gäbe es die Zutaten des Glücks. Und dabei strahlten seine Augen so klar, dass ich keine Wahl hatte, dass ich keine Wahl mehr wollte, dass es nur noch eines gab: Die Pfaueninsel. Mit ihm.

Ich könnte mich ja jetzt verteidigen und sagen, dass schwere Zeiten hinter mir lägen, dass ich jetzt meine Portion Glück verdiente und solchen Kram. Und um ehrlich zu sein: ich habe es mir gesagt, noch während der Fahrt mit der S7. Aber ich wusste auch, dass es Unsinn war. Ich bin immer zu nüchtern gewesen für solchen Quatsch. Nur als Traum stimmte es. 

Was wir alles gemacht haben auf der Pfaueninsel erzähle ich Ihnen nicht. Das ist zu privat und für einige Sachen schäme ich mich eigentlich auch ein bisschen. Wir sind die Nacht auf der Insel geblieben. Klar. Und mir kommt es immer noch als eine Art von Vorschau auf dem Himmel vor. Aber am nächsten Vormittag sind wir dann mit der Fähre zurück. Im Wirtshaus zur Pfaueninsel haben wir gefrühstückt.Viel, viel Kaffee und Rührei mit Schinken und Zwiebeln. Beim Essen haben wir nicht viel geredet, mir war es wolkig im Kopf. Und Karel wohl auch. 

'Und jetzt?' fragte ich.
'Ich muss kurz zurück.'
'Zurück?'
'Ins Hotel', sagte er noch schnell, aber in dem Moment wusste ich, dass die vergangene Nacht nicht gewesen war. 

Auf dem Hauptbahnhof musste er pinkeln. Und ich ging in die Damentoilette. Als ich fertig war, sah ich ihn nicht. Ich wartete ein paar Minuten. Er kam nicht. 
Bei der Auskunft erfuhr ich, dass in drei oder vier Minuten von Gleis ???? ein Intercity nach Köln abfahren würde. "Wenn Sie schnell sind dann holen Sie den Zug vielleicht noch, hier die Rolltreppe hoch und dann …" Ich hatte mich schon umgedreht. Ich rannte nicht, ich ging die Rolltreppe nicht hoch. Ich setzte mich auf eine Bank und schaute mich die Leute an. Die einen gingen nach links, die anderen nach rechts. Ich saß nur und wartete nicht.
Ich nahm mein Handy aus meiner Hosentasche, suchte seine Nummer und textete:
'Ich wusste nichts von deinen Ufern' aus dem Nina Hagen Song.

Ich bekam keine Antwort. Nie. Nie mehr hörte ich von ihm, über ihn. Bis jetzt. Von Ihnen. Ich weiß ja auch gar nicht, wie Sie mich gefunden haben und überhaupt, warum Sie mich gesucht haben. Will ich auch gar nicht wissen. Ich möchte nichts mehr über ihn hören. Sie haben mir schon zu viel erzählt. Na ja, können Sie natürlich auch nichts dafür. Ich will ja auch gar nicht wissen, worum Sie meine Geschichte hören wollten, sagen Sie es nicht, bitte. Auch jetzt nicht.


Ich weiß jetzt, dass er tot ist. Das hätte ich lieber nicht gewusst. Jetzt ruft die Pfaueninsel. Verstehen Sie das? Jetzt zieht's mich hin und ich will mich erinnern. Aber ich will mich nicht erinnern wollen. Ich will morgen mit der Angelika in die Kneipe. Uns ein paar Jungs suchen und so weiter. Schade eigentlich, dass Sie heute wieder zurückfahren nach Holland. Ja, schade. Besser, aber trotzdem schade.

17 jun. 2015

Dagsluiter

Sommige dagen moet je afsluiten met muziek. Vandaag begon traag, wakker worden op de snelweg, o, ben ik al hier. Stoppen bij een tankstation, broodje kopen, want ontbijt vergeten. Acht uur op mijn werk. Geen vergadering, dan maar puntjes op de i van enkele lessen. Klein peptalkje met leerling. Om negen uur komt de bijleskandidaat niet opdagen. Buiten sigaretje roken. Binnen kopje koffie. Nog meer puntjes op de i. Kort praatje met collega bij het kopieerapparaat. Toetsen voor het derde uur. Nog maar een sigaret. Gesprek met een toevallig passerende ouder. Mok koffie mee naar het lokaal. Overtollige puntjes van de i gehaald. 


Lessen. Meestal leuk, geven energie. 
Dan komen de berichten binnen. Leerling heeft zichzelf in de problemen gewerkt. Puberale dommigheid. Gevolgen niet te overzien. Dat vreet. Je kent de leerling. Je weet dat het eigenlijk een goeie knul is. Maar wat hij deed is erg, heel erg. Je weet dat anderen waarschijnlijk schuldiger zijn dan hij, maar verdient de behandeling die hem te wachten staat. KUT.
De zaken worden voorlopig afgehandeld, meer kan er niet gedaan worden op dat moment. Andere leerlingen moeten ook aandacht. Jammer genoeg is ook nu de aanleiding negatief. Je doet bozer dan eigenlijk nodig is, goed is. Terwijl je tegelijkertijd weet dat het zonder die overdreven boosheid alleen maar verder gaat. Sommige mensen verstaan alleen harde taal, lijkt het wel. En zelfs die niet.


Thuis komt geval een weer aan de orde. Gesprekken, telefoontjes. Mailen. Gedoe. Te veel tussen de bedrijven door aandacht voor Lief. Het begint te malen in het hoofd. Ik wil schrijven, maar het verhaal waaraan ik bezig ben, is ver weg. Te ver weg. Hoewel het belangrijkste beeld eruit nog tastbaar, voelbaar is als een diepe snee in het voorhoofd. 
Ik zit in de keuken en rook een sigaret. Mijn Ipad bij me en oordopjes. Even Anouk, de oude krakers Nobody's Wife, R.U. Kidding Me. Lang geleden en dus genieten. Dan wat zwerven. Op zoek naar het nummer van deze dag. Edie Brickel. Vaak wel, maar nu niet. Dayna Kurtz, Day of Atonement lijkt het te worden, maar ik denk dat het eigenlijk niet een van mijn persoonlijke klassiekers moet zijn. Hoewel? PJ Harvey en Björk spelen met Satisfaction de tranen in mijn ogen. PJ Harvey. Die hoort bij de stemming. Het album White Chalk. Fragiel en licht creepy. 


Maar door het woord 'fragiel' denk ik weer aan Meret Becker (door haar albumtitel Fragiles). Daardoor vooral aan de magnifieke Tom Waits-cover Jockey Full of Bourbon (met Ars Vitalis).




Maar ik sluit toch maar af met die andere cover. A Day in the Life. Niet door de Beatles, maar door Burdon & War. Dan krijgt de dag het einde dat hij verdient.







16 apr. 2015

Hundejahre, bij de dood van Günter Grass

„Senta warf Harras; und Harras zeugte Prinz; und Prinz machte Geschichte...“


De middelbare school. Ik zat, denk ik, nog op de middelbare school toen ik het boek kocht. Maar pas enkele jaren later las ik het helemaal. Het stond met zijn intrigerende titel en omslag naast allerlei werken en werkjes van Hesse en Brecht. Die kocht ik steevast op de boekenafdeling van V&D, daarbij welwillend toegeknikt door de vader van een aantrekkelijke leerling van de meisjesschool die Heerlen ook rijk was. We maakten af en toe een praatje, de vader en ik, bedoel ik, met zijn dochter heb ik nooit meer dan enkele schuchtere woorden gewisseld. Ik was een verlegen type en zat bovendien in een relatie met een leerling van dezelfde meisjesschool. Volgens mij zaten de meisjes zelfs in dezelfde eindexamenklas. Het zal dus wel 1974 geweest zijn, want in dat jaar haalden we allemaal ons diploma. 

Hoe ik erbij kwam het boek te kopen, weet ik niet meer, maar ik hou het erop dat het een tip was van de boekenvader. Hij was een zachtmoedige man die het ene plankje onvertaalde Duitse literatuur altijd redelijk gevuld hield: altijd wel iets van Goethe. Fallada kwam er regelmatig in voor. Een aantal literatuurlijstboeken als Der Schimmelreiter, maar vooral veel Hesse en Brecht, want daarvoor, wist hij, had hij een vaste afnemer (waande ik me invloedrijk).
Op een dag, vind ik, moet hij tegen me gezegd hebben: "Dit moet je eens lezen. Dit is echt een prachtig boek." Daarbij tikte hij met een vrij lange gelige nagel op de witte rug van Hundejahre. Ik nam het boek uit het rijtje en bekeek de zwart met rode hand die een schaduwhondenkop vormde. Ik wist, dat de boekenman gelijk had. Ik kende de naam Günter Grass en wist waarschijnlijk al dat hij een beroemd Duits schrijver was. Niet voor niets keken we vooral Duitse tv. Maar ik had niets van hem gelezen.
De boekverkoper stopte het boek in een klein papieren zakje en legde het voor me klaar naast de kassa. Ik betaalde en begon tevreden aan de lange wandeling naar huis. 

Onderweg haalde ik het boek tevoorschijn en bladerde erin. Ik las de achterflap, bewonderde de hondenkop. En las de openingszinnen. De eerste alinea.

Erste Frühschicht
Erzähl Du. Nein, erzählen Sie! Oder Du erzählst. Soll etwa der Schau-
spieler anfangen? Sollen die Scheuchen, alle durcheinander? Oder wollen 
wir abwarten, bis sich die acht Planeten im Zeichen Wassermann geballt 
haben? Bitte, fangen Sie an! Schließlich hat ihr Hund damals. Doch bevor 
mein Hund, hat schon Ihr Hund, und der Hund vom Hund. Einer muß 
anfangen: Du oder Er oder Sie oder Ich… Vor vielen vielen Sonnenunter-
gängen, lange bevor es uns gab, floß, ohne uns zu spiegeln, tagtäglich die 
Weichsel und mündete immerfort.

Een prachtige eerste alinea zie ik, nu ik hem weer eens lees. Het hele boek zit er in. De drie (of meer) vertellers, de vogelverschrikkers, de honden en natuurlijk de monding van de Weichsel, want het verhaal speelt zich grotendeels af in de voormalige Freie Stadt Danzig.
Danziger Trilogie 3 staat er op het omslag, maar omdat verzekerd werd dat de drie delen afzonderlijk te lezen waren, begon ik er , eenmaal thuisgekomen, toch aan.
Maar het was pittig, ik was gewend aan de duidelijke taal van Brecht, het dromerige van Hesse. Dit was andere taal. En een heel andere manier van vertellen. Weitschweifig was het woord dat ik er toen niet voor wist te vinden:

Der Federführende schreibt Brauksel zumeist wie Castrop-Rauxel und 
manchmal wie Häksel. Bei Laune schreibt Brauxel seinen Namen wie 
Weichsel. Spieltrieb und Pedanterie diktieren und widersprechen sich 
nicht.

Ik vond het geweldig, maar kwam er niet doorheen. Ik gooide het boek in een hoek. Later, later.
Ik weet niet meer hoe oud ik was toen het boek me niet alleen meer aantrok en me dwong het op te pakken en nog maar een keer te beginnen, maar me meteen ook naar binnen zoog en me pas weer (eventjes) losliet toen ik al met de tweede verteller had kennisgemaakt: Harry Liebenau en vooral ook met zijn nicht en niet te vermijden liefde Tulla Pokriefke. Ik was verliefd op haar (en ben het nog steeds op haar naam) omdat Harry Liebenau (en dus Günter Grass) in het Tweede Boek van Hundejahre elk nieuw onderwerp aanhief met haar naam: 

Tulla, …
Liebe Tulla, …
Liebe Cousine Tulla, …
Hör zu, Tulla, …
Oh, Tulla, …

Sinds die eerste keer heb ik het boek om de paar jaar weer ter hand genomen en meestal wisselde ik van favoriet deel. Eerst waardeerde ik Harry Liebenaus toeschouwersverhaal het meest, dan weer viel ik voor de woede van dader Walter Matern in boek drie, een andere keer was slachtoffer Eddy Amsel mijn favoriete verteller.  

Mijn eerste exemplaar van Hundejahre heb ik inmiddels letterlijk stuk gelezen. Waarschijnlijk ergens in de tachtiger jaren heb ik een nieuw gekocht. In precies dezelfde uitgave. Zo te zien heb ik ook dat een keer of twee drie gelezen. Het was een goedkoop exemplaar (12,80DM) en daar kreeg je dan 473 dichtbedrukte pagina's taal voor, Duitse taal, verbazingwekkende taal, breedsprakige, meeslepende en prachtige taal. 
En door het hele boek lopen intussen honden. 3 honden: Senta, Harras en Prinz, waarbij de laatste op een van de laatste dagen van de Führer uit diens bunker wegloopt en de Elbe overzwemt naar het vrije westen en een bezoek brengt aan de filosoof Martin Heidegger. 

Toen ik aan dit stuk begon dacht ik dat het met dit boek was als met de Weichsel:

Die Weichsel ist ein breiter, In der Erinnerung immer breiter werdender,                       trotz der vielen Sandbänke schiffbarer Strom…

Maar nu ik het weer gezien, gevoeld en ingekeken heb, weet ik dat ik het gauw weer wil gaan lezen. De taal lijkt nog rijker geworden. Lijkt, want de woorden zijn uiteraard dezelfde. Ik ben, mijn taal is rijker geworden, rijper, en dan bedoel ik niet mijn Duits, natuurlijk. 

Günter Grass is dood. Hundejahre ligt hier op mijn tafel. En gaat in ieder geval mijn leven lang mee.












15 feb. 2015

Bommel by Night

Wat ik in 2013 voorspelde en wat ik eigenlijk ook wilde, is uitgekomen. Ik zal het nu eindelijk maar publiek maken. Ik heb een aanslag gepleegd en ben daarvoor opgepakt en veroordeeld. Het eerste deel van de straf die ik kreeg, heb ik erop zitten. Nog vier jaar te gaan.
Niet alles wat ik voorspelde, is letterlijk zo uitgekomen, maar het gaat alleen maar om onbeduidende afwijkingen van de door mij gewenste straf, dus echt belangrijk vind ik het niet.
Soms vind ik het jammer dat er geen sprake was van media-aandacht voor mijn daad, maar van de andere kant vond ik het ook wel best zo. Bij nader inzien vond ik het gewicht van mijn daad, van mijn overtuiging toch weer niet zo groot als ik eerder meende. Eigenlijk schaamde ik me zelfs een beetje voor de beperktheid van de achterliggende gedachte. Let wel, niet voor de daad zelf. Ik zou het zo weer doen, maar dan beter. Ik denk dat ik best kan stellen dat ik geradicaliseerd ben.

Maar goed. Omdat er zo weinig, of eigenlijk zelfs geen enkele aandacht was van de media voor mijn actie, weet nu niemand wat er eigenlijk gebeurd is. Zelfs het plaatselijke sufferdje, De Toren, heeft er geen letter over geschreven. Vandaar dat ik het hier even moet opschrijven.

Op 29 september 2013 schreef ik een blog over een gruwelijk lelijk en half gedupliceerd aluminium standbeeld van Marcel Smink in Zaltbommel, waarin ik een soort van symbolische aanslag op dat onding aankondigde. Ik was die dag met mijn vriendin in Zaltbommel geweest. Ze had er zelfs nog een koddige foto van me gemaakt, waarop ik de vlucht na mijn daad vooruitspiegelde. 
Het was niet mijn eerste confrontatie met dat beeld, ik had al eerder geschreven over 'Gatsie' zoals ik het 'kunstwerk' had gedoopt. Dat was een ruim aantal jaren voor mijn in genoemd blog beschreven bezoek. Tot dan toe deed ik alles in openheid.

Maar op zondag 4 januari 2014 stapte ik 's morgens vroeg in mijn auto en reed in mijn gammele Renault Clio naar Zaltbommel. Mijn vriendin had ik wijsgemaakt dat ik op bezoek zou gaan bij mijn moeder en dat ik op tijd voor het eten weer terug zou zijn. Het was redelijk zonnig en fris. Onderweg kwam ik een natte-sneeuwbui tegen, maar dat mocht geen naam hebben. Om half elf parkeerde ik mijn auto op de parkeerplaats langs de Waal aan de rand van het stadje. Uit het handschoenvakje pakte ik de twee stukken vuurwerk die ik had achtergehouden uit het pakket dat ik de zoon van mijn vriendin enkele dagen eerder onder mijn toeziend oog ('Voorzichtig, voorzichtig')  had laten afsteken. Ik sloeg de kraag van mijn jas op en liep, wind in de rug naar de Waalkade. Daar stond deel een van mijn opdracht: het halverwege de borst afgesneden 'torso' van Gatsie tussen de klinkers voor de cafés en restaurants waarvan de terrassen 's zomers redelijk vol zaten. Nu was het leeg op straat en langs de Waal. Met een speciaal daarvoor meegenomen grote schroevendraaier peuterde ik zand en brokjes cement weg tussen de bestrating en de voet van het beeld. Ik kon de knaller er schuin onder plaatsen. 
Daarna liep ik naar de ten-voeten-uit-lelijkheid die enkele tientallen meters verderop in de uiterwaard stond. Voor dat deel van het kunstwerk had ik een sterker stuk vuurwerk gekozen. 
Ten eerste omdat het groter was en op een soort van sokkel stond, maar eigenlijk vooral omdat dat het verschrikkelijkste deel van het geheel was. Dat had te maken met de zwembroek die de jongen die was afgebeeld droeg. Er zou niets aan de hand zijn geweest als de jongen gewoon naakt was geweest, zoals dat hoort bij een standbeeld. Of gewoon gekleed natuurlijk. Dat kan ook. Maar een zwembroek? Werkelijk! Ik word weer kwaad als ik eraan denk.
In ieder geval: onder dat deel van de gruwel was het stuk vuurwerk veel eenvoudiger aan te brengen. 

Ondanks de kou ging ik met mijn rug tegen de lelijkheid zitten en keek naar de Waal, naar de overkant en naar de Martinus-Nijhoffbrug. Het was goed wat ik deed, zei ik tegen mezelf. Ik rookte een sigaret. Het had te maken met poëzie en met schoonheid. Het had te maken met het uitbannen van lelijkheid, van ketterijen tegen mijn geloof in puurheid en liefde. De beelden hoefden niet vernietigd te worden. Gewoon een symbolische daad volstond, dacht ik. Dacht ik toen.

Met de laatste twee centimeters van mijn sigaret stak ik het lont aan. Ik rende naar boven, naar de Waalkade. Al snel volgde de knal. Ik keek om. Er was niets veranderd. Een vaag wolkje dreef af naar de rivier. Op de kade hield ik de kegel van de peuk tegen het lont van het andere stuk vuurwerk. En weer rende ik weg. Ik keek niet om. 
De laatste meters naar mijn auto liep ik. Mijn hart bonsde als bezeten. Ik zweette, maar voelde de koude wind tegen mijn borst. Ik stapte in en reed als een bezetene terug naar Maastricht, naar mijn vriendin.
'Hoe was het met je moeder?'
'Goed, goed.'

—-

Nou ja, iemand had me gezien en iets genoteerd en de politie op de hoogte gesteld en zo kwam het dus dat ik afgelopen 4 januari voor de eerste keer het beeld moest schoonmaken. Hierna moest ik dat nog vier keer doen. Steeds op 4 januari. Een taakstraf werd het genoemd, maar eigenlijk was het natuurlijk gewoon een soort bezuinigingsmaatregel van, of in ieder geval voor de gemeente. Ik heb het nagekeken, nagevraagd. 'Gatsie' werd sinds zijn onthulling een keer per jaar met de hogedrukspuit ontdaan van al te vasthoudend vuil. De rest werd aan de regen overgelaten.
Maar ik moest met een ladder en sponzen in de weer. Ik moest elke plooi van het overlevensgrote lichaam met de hand schoonmaken. Het doel van die exercitie was me respect bij te brengen voor andermans ideeën en inspanningen. Zo zei de rechter het in ieder geval. 
Ik had geprotesteerd, natuurlijk. Ik betoogde dat geplande lelijkheid geen respect verdient. Ik vertelde over de beeldhouwer Breker, die in zijn tijd vernieuwend was, maar waar tegenwoordig toch niemand meer mee geassocieerd wilde worden, gezien zijn affiliatie met het Nazi-regime van Hitler. 'Kunst en politiek mogen niet te veel met elkaar verstrengeld raken', zei ik. Waarop de rechter zei: 'Ja maar, dat is toch precies wat u deed. U maakte meneer Sminks kunstwerk politiek.'

Omdat er in het vonnis geen tijd genoemd werd, besloot ik het beeld 's nachts schoon te maken. De lust tot statements was me even vergaan. Ik parkeerde mijn auto op dezelfde plaats als vorige keer. Ik sleepte mijn ladder en vijf in elkaar gestapelde emmers naar het beeld. Ik liep naar de Waal en vulde de emmers en droeg ze naar het beeld. Ik zette de ladder tegen het gedrocht, klom voorzichtig met een hand omhoog en goot de emmer leeg over het hoofd. De tweede en derde ook. De vierde emmer hing ik met een haak aan de bovenste sport van de ladder.  Met een van de grote sponzen begon ik het beeld af te soppen. Het maakte niet veel verschil. Het water werd smerig, maar het beeld zag er niet veel schoner uit. Het ging allemaal vrij vlot. Tot ik bij de zwembroek kwam. Daar zaten wat meer plooien en dus meer vuil. Harder wrijven dus.
Gelukkig had ik ook een schuurspons meegenomen. Daarmee bewerkte ik de plek in de zwembroek waar Gatsies pik moest zitten. (Voorzover een beeld met zwembroek een pik kan hebben, natuurlijk.) Ik zag hoe door mijn geschuur het metaal rond zijn geslachtsdeel iets lichter werd dan de rest van het beeld. Dat vond ik leuk. Volgend jaar zou ik een polijstset meenemen. Ik stelde me voor dat later dat deel van het beeld zilverkleurig zou blinken tussen het grijs van de rest van het lichaam. Ik schuurde nog wat harder. Ik stelde me een stel voor dat vroeg op een zomerse zondagmorgen in 2016 over de uiterwaard zou struinen, na een te lang kroegbezoek. Dronken en verliefd zouden ze van oost naar west lopen. Achter hen zou de zon opkomen en zijn eerste stralen werpen op het beeld van 'Gatsie'. Zij zou haar hand opheffen tegen de weerkaatsing van de zon in de zwembroek. Hij zou een hand onder haar opgeheven arm door schuiven tot op haar borst. En aan de voet van het beeld zouden ze het doen. 


Het werk aan de twee delen van het 'kunstwerk' kostte me ongeveer twee uur. Ik was tevreden over mijn werk. Ik verheugde me op de volgende keer. Het was vier uur 's nachts. Op het politiebureau meldde ik een paar uur later dat ik aan mijn taak voor dat jaar had voldaan. De lichtelijk verbaasde agent beloofde me het door te geven en mijn werk te laten controleren. Ik knikte tevreden en reed terug naar Maastricht.