15 mrt. 2014

K.I. & N.W. 2

Jaren later zag hij zijn aangenomen naam gespoten op de achterwand van een bushokje. In vuil lichtblauw stonden de letters op het glas. Ze vielen niet erg op tegen het groen van de heg achter de abri. Ze waren vluchtig gespoten, haastig waarschijnlijk. Achter de twee letters van zijn naam waren een paar vage vegen in dezelfde kleur zichtbaar. Andere letters? Waarschijnlijk, maar welke was niet te herkennen. Hij wilde er niet over nadenken welke letter of letters dat geweest hadden kunnen zijn. Hij was tevreden met het beeld zoals het was. Zijn naam op een bushalte in een plaats die hij nog nooit had bezocht.
Hij overwoog een foto te maken van zijn vondst. Maar zijn telefoon zat diep verstopt in zijn volgepropte tas. En hij had geen tijd. Hij had een afspraak. In het gebouw schuin achter de bushalte. Nou ja, eigenlijk zou het best kunnen, zo lang zou het niet duren voor hij zijn telefoon gevonden had. Hij had er de rust niet voor, dat was het. Hij was zenuwachtig. Hij had een afspraak met de directeur van de school die in het gebouw gevestigd was. Het ging om een grote opdracht. Een opdracht die hij dringend nodig had, simpelweg omdat  zijn geld op raakte. 
Twee jaar geleden was hij zijn baan kwijtgeraakt, zijn baan als docent aan een school in zijn woonplaats en tegenwoordig maakte hij zichzelf en de wereld wijs dat hij niet werkeloos was, maar ZZPer. In die twee jaar had hij een aantal opdrachten gehad, redactiewerk vooral. Vooral in het begin en vooral van zijn vorige werkgever. Niet onaardige, maar perspectiefloze opdrachten, die zijn uitkering redelijk aanvulden, maar niet tot het niveau van zijn inkomen als leraar. Het kleine bedrag dat hij in vroeger tijden opzij had gezet, was opgegaan aan investeringen. Zo noemde de KvK het tenminste: hij had de nieuwste notebook van Apple aangeschaft en een bureaustoel. Daarmee had hij zich in zijn studeerkamer gevestigd, waar hij door niemand gestoord werd dan door een van zijn katten. Hij had zich ook in zijn huiskamer kunnen vestigen. Ook daar zouden enkel Saar en Strega hem storen. Of in de kleine slaapkamer.
Hij besloot dat hij de foto ook kon maken na het gesprek.

Maar dat vergat hij natuurlijk. Het gesprek was redelijk goed verlopen. De directeur waarmee hij gesproken had, beloofde weliswaar niets, maar toonde veel interesse in zijn project: een digitale methode algemene IT-vaardigheden voor het VMBO. In de loop van de volgende week zou hij uitsluitsel krijgen. Over die belofte dacht hij na toen hij wachtte op de bus die hem zou terugbrengen naar het station. In de abri aan de overkant zaten en stonden een paar mensen een sigaret te roken. Werknemers van de school die last hadden van het rookbeleid van hun werkgever. Hij wist er alles van. Hij voelde er wel voor, maar bedacht zich dat het waarschijnlijk geen zin zou hebben, nu nog een praatje te gaan maken. Die kans had hij voor het gesprek moeten hebben. Nu zou hij hooguit ontdekken waarom hij de opdracht niet zou krijgen. Hij stak een sigaret op. 

Pas vlak voor de trein in zijn woonplaats aankwam, herinnerde hij zich de letters op de abri. Had hij die foto nou toch maar gemaakt. Waarschijnlijk zou hij nooit meer op die plek komen. Ondanks zijn overvloed aan tijd. Stom. Begrijpelijk, maar stom. Hij wist het antwoord, maar toch vroeg hij zich af waarom hij niet had gedaan wat hij had moeten doen. Nou ja, had kunnen doen. 
Of ging het toch verder? Had het niet te maken met het gesprek? Had het te maken met zijn verleden, met zijn liefde, zijn alleen zijn? Had het te maken met die letters, die oude letters, vergane letters. Had het te maken met Nellie?

Nellie Waldfeucht was zijn eerste liefde. Lang geleden, toen hij nog thuis woonde, bij zijn vader, en eenzaam was. Nellie Waldfeucht was, dacht hij tegenwoordig, de oorzaak van zijn ellende. Zij had hem hoop gegeven. Valse hoop. maar dat was logisch, want elke hoop was vals. Is vals. Dat kon hij haar niet kwalijk nemen. Ergens in zijn geboorteplaats, in een bos stond er een boom, een beuk, met de letters erin gekrast. N.W. en K.I. Hij herinnerde zich de gladde bast nog. Gladde huid met letters. Die boom kon er niks aan doen. Die stond daar ook maar. Had nergens om gevraagd. Niet om krassen, letters, berichten. Niet om leugens. 


Hij kon teruggaan.De volgende dag. Een foto maken en denken over het waarom. Waarom die letters daar stonden. Nee, dat was onzin. Die letters stonden er om heel andere redenen. Redenen die hij niet kende of zag. Jawel, wel zag, maar hij kon er geen namen aan vastknopen. Behalve zijn eigen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen