2 mei 2016

Angela (3e versie)

3 versies

In februari schreef ik een kort verhaal met de titel Angela. Het idee was het in te sturen voor een wedstrijd die te maken had met de boekenweek van dit jaar waarvan het thema 'Duitsland' was. Omdat het verhaal maar 500 woorden lang mocht zijn, schoot het niet erg op. Toen ik het uiteindelijk meende te kunnen opsturen vroeg ik de datum nog maar eens na. Het had een week eerder af moeten zijn. 
Ik plaatste het op mijn blog, maar weet eigenlijk niet meer of ik het ook via facebook en twitter aankondigde. Nou ja, wie het alsnog wil lezen, het staat in de inhoudsopgave aan de rechterkant van deze pagina. Het is geen goed verhaal.

Daarom herschreef ik het, het onderwerp beviel me nog steeds. Er ontstond een tweede versie, die op wonderbaarlijke wijze weer 500 woorden omvatte. Dat aantal hoort blijkbaar bij het verhaal. Er kwam wat meer aandacht voor een ultrakorte episode uit de Duits-Nederlandse geschiedenis. 
Vandaag heb ik weer het een en ander aan herschreven. Bij een verhaal van 500 woorden is elk woord dat je verandert een grote verandering. 

Het gaat over een politica die geen mens mocht zijn.



Angela

Laten we eerlijk zijn, het plan was goed. U zou verbaasd zijn geweest een vrouw in mantelpakje en pumps op de stam van een omgevallen boom te zien zitten. Een omgevallen boom in het hoge gras, ongeveer tien meter van het paadje dat vanaf de grensovergang naar het gehucht verderop leidde. Een paadje dat alleen door de bewoners van de drie aangelegen huizen gebruikt werd en door een enkele verdwaalde wandelaar of fietser.  
Natuurlijk, u zou verbaasd zijn geweest. U zou gevraagd hebben of de vrouw hulp nodig had. Ze zat zo onhandig op de stam waarvan de meeste bast door weer, wind en passanten verwijderd was. 
Omdat de stam niet helemaal horizontaal lag, helde de vrouw een beetje naar links, maar niet zo dat ze met haar hand steun moest zoeken. Haar handen lagen op een handtas en een soort strandhoed in haar schoot. Het zou overal een ongewoon gezicht zijn geweest. Het lag niet aan Köpfchen, de bosrijke grensovergang tussen Aken en de Belgische gemeente Raeren. 

Ik herkende haar meteen, maar wist ook wie ik moest verwachten. Ik noemde haar naam. Zij knikte. Zware oogleden, haar lippen licht bitter. Zartbitter was een beter woord, als chocolade. Ik vroeg of ze hulp nodig had. Ze haalde haar rechterschouder op. Wilde ze iets eten? Weer die schouder. Ik nam haar bij de linkerhand en leidde haar voorzichtig naar het smalle paadje. Het leidde ons tegen het talud omhoog naar de grote weg. Ze vroeg of we al in België waren. Ik wist het niet, maar wees naar de friture een kleine tweehonderd meter verderop. "Die is Belgisch, daar staat mijn auto, maar waar de grens precies loopt? Geen idee. Zet je hoed op" 

Ik kneep zachtjes in haar bezwete hand. Het komt goed, wilde ik zeggen, maar ik keek alleen hoe ze me moeilijk lopend en lichtgebogen volgde. Toen ik weer naar de friture keek, leek die verder weg. Ik zocht naar schuilmogelijkheden langs de kant van de weg. We konden ons -als een auto ons achteropkwam- van het talud naar beneden de weilanden in laten rollen. Maar er was geen verkeer. 

Ik vertelde haar hoe we in mijn auto zouden stappen, beschreef de route. Van de grens, via rustige weggetjes door de Voerstreek naar Moelingen en de grens over naar Eijsden, om daar de trein naar Maastricht te nemen. "Ik ben een van de weinigen die nog iets van die geschiedenis weet." Ze begreep niet wat ik bedoelde, dus vertelde ik haar hoe keizer Wilhelm II in 1918 vanuit Spa naar Eijsden werd gereden en van daaruit per hoftrein verder reisde naar Kasteel Amerongen. Van daaruit ging hij in 1920 naar Doorn. Ze knikte: "Keiner kennt diese Geschichte". 

Maar we kwamen niet in Eijsden. We zaten net in mijn auto toen van achter de friture mannen verschenen. Banden rond hun bovenarm. P.E. stond er op. We zagen geen wapens.
Ze sloeg haar armen om me heen en kuste mijn wangen. "Danke!", fluisterde ze, en: "Wir schaffen das."













Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen