18 sep. 2012

Hope for Happiness



Holle weg
Zoals zo veel uit die periode ben ik ook de namen vergeten van de jongens die we zouden gaan bezoeken. Ze woonden in Berg en vanuit het Geuldal bij Houthem was het dan ook nog een flinke klim. De weg liep door een bos omhoog. Dat wist ik, dat had ik gehoord. Buiten het bos was er nog de droom van een vallende avond: donkerblauw met alleen in het uiterste westen nog een roze schijn.  Daar lag Maastricht. Wij kwamen vanuit Heerlen waar het al jaren lang diepe nacht was.
We waren stoned. Dat was gebruikelijk. Minder normaal was het dat we de stad uit gingen. Want niets was zo moeilijk als een donkere stad verlaten. Al was het maar voor een nacht. Want dat was de bedoeling. We zouden bij die jongens - van wie ik de namen niet meer weet - de nacht uitzitten en de volgende dag licht zien. Daglicht. Dat bestond namelijk, had Nor verteld, de leider van de expeditie. Die was er dus bij, al zie ik zijn gezicht niet in mijn herinnering.  Verder zullen mijn broer en misschien Loek zijn meegegaan, maar ook dat weet ik niet meer zeker. Niets uit die tijd is zeker.
Ik weet niet meer of de weg door het bos recht liep of net in kronkels. Ik weet nog dat het een holle weg was. Aan weerszijden steile lemen wanden met (nog donkerder) kaarsrechte stammen waaraan geen einde leek te komen.  De toppen onzichtbaar. Zwart.
Verdwalen kon niet, zoveel was duidelijk. Er was een weg, niet meer. Afdwalen was niet mogelijk. Toch rezen twijfels. Het duurde zo lang. Te lang. Nor had zich vergist.  Hij was al eerder hier geweest had hij gezegd. Althans bij die jongens. In Berg. Daarboven ergens. Maar toen was hij er met zijn Puch geweest. En vanuit het oosten aangekomen en niet zoals wij nu vanuit het noorden.  Hij vergiste zich. Het duurde te lang.
‘Je bent stoned.’ zei iemand tegen me: ‘We zijn pas op weg.’ Het zal mijn broer geweest zijn, die het zei. Als hij erbij was tenminste. Want ik weet nog dat ik dacht: ‘Ja, ik ben stoned, dat is alles.’ Van een ander zou ik dat niet aangenomen hebben.  Zeker niet van Nor. Die werd altijd zo onzeker als we gerookt hadden. Kon slecht tegen de opmerkingen van mensen die anders tegen de wereld aankeken. Dat had ik toch al bedenkelijk gevonden aan deze tocht. Nor die het geregeld had. Dan wist je niet waar je aan toe was. En Loek? Nou ja, die bekeek altijd alles met een boze afstand. Later filosoof geworden en ongelukkig, denk ik.
Ik was moe. Mijn kuiten deden pijn. Ik wilde terug. Naar het beetje licht dat onder aan de heuvel nog restte. Ik dacht na. Ik verzon zinnen. Zinnen die ik kon gebruiken om de anderen mee te krijgen. ‘Jan’ riep ik naar mijn broer die zo’n tien meter voor me liep. Hij reageerde niet.
Door het bos klonk een korte roffel op een drum gevolgd door een hoog en enigszins hees Aaahh………………
Er kwamen stemmen bij.
I can tell... like the ring of a bell
A chime that is clear and true
But if a crack, the sound is flat
Like happiness... become untrue
Out of the East, the sun flew West
Trailing its golden spray
My heart burns, when fortune turns
(The trail to light my way)

Days go by, I watch the sky
My eyes forever quest.
The sun returns, though my hope yearns
Forever things point the rest

Sun heart burns, moon glow turns
Stars foretell - Hope For Happiness
Hope For Happiness, happiness, happiness
...

Ik rende naar het geluid. Naar rechts, langs de bomen omhoog. Ik greep me vast aan takken van verdwaalde struiken, ik klemde mijn armen achterwaarts om bomen en klauwde in de leem totdat ik boven was: een smalle richel langs een weg met huizen aan de overkant.  Daar zaten zij. De schaduwen, de jongens.
Een joint ging rond. Bleke gezichten wisselden in een rode gloed. Er werd niet veel gezegd. Iedereen zat in de muziek van Soft Machine: Why are we sleeping. Vaag herinner ik me dat we de straat overstaken naar het enige huis waar op de bovenverdieping nog licht door het open raam scheen.
Verder niets. 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen