21 feb. 2016

Angela

Laten we eerlijk zijn. Zou u haar daar hebben verwacht? Zou u niet verbaasd zijn geweest een (deze) vrouw in mantelpakje en pumps op de stam van een omgevallen boom te zien zitten? Een omgevallen boom in het hoge gras, ongeveer tien meter van het paadje dat vanaf de voormalige grenspost naar het gehucht verderop leidde. Een paadje dat alleen door de bewoners van de drie aangelegen huizen gebruikt werd en door een enkele verdwaalde wandelaar of fietser.  
Natuurlijk zou ook u verbaasd zijn geweest. En ook u zou hebben gevraagd of de vrouw hulp nodig had. Ze zat zo onhandig op de stam waarvan de meeste bast door weer, wind en passanten verwijderd was. 
Omdat de stam niet helemaal horizontaal lag, helde de vrouw een beetje naar links, maar niet zo erg dat ze met haar hand steun moest zoeken. Haar handen lagen op de handtas in haar schoot. 
Het zou overal een vreemd gezicht zijn geweest. Het lag niet aan Köpfchen, de grensovergang tussen Aken en het Belgische Raeren. 

Ik zag meteen dat zij het was. Ik noemde haar naam. Zij knikte. Zware oogleden, haar lippen licht bitter. Zartbitter was een beter woord, bedacht ik, als chocolade. Ik vroeg of ze hulp nodig had. Ze haalde een schouder op. Of ze iets wilde eten? Weer die schouder. Ik nam haar bij de linkerhand en leidde haar voorzichtig naar het smalle paadje. Het leidde ons tegen het talud omhoog naar de grote weg. Ze vroeg of we al in België waren. Ik wist het niet, maar wees naar de friture een kleine tweehonderd meter verderop. "Die is Belgisch, dat weet ik zeker, maar waar de grens precies loopt? Geen idee." 

Ik kneep zachtjes in haar bezwete hand. Het komt goed, wilde ik zeggen, maar ik keek alleen hoe ze me moeilijk lopend en lichtgebogen volgde. Toen ik weer naar de friture keek, leek die verder weg. Ik zocht naar schuilmogelijkheden langs de kant van de weg. We konden ons -als een auto ons achteropkwam- van het talud naar beneden, de weilanden in laten rollen. Maar er was geen verkeer. 

Ik vertelde haar hoe we dadelijk in mijn auto zouden stappen, beschreef de route. Van de grens, door de Voerstreek naar Moelingen en daar de grens over naar Eijsden. Als ze wilde, zou ik haar daar op het stationnetje afzetten. Dan kon ze van daaruit naar Den Haag. Of ik kon haar in Maastricht afzetten. Had ze geld? Ze knikte. 
Ik opende het portier. Ze stapte in. Vanuit de friture vier ogen. Ze verborg haar gezicht in het handtasje in haar schoot. 

Op het perron van station Eijsden kuste ik haar en wenste haar succes in Den Haag. "Groeten aan Mark." zei ik zo luchtig mogelijk. Ze liet mijn hand los, maar stapte niet in. "Hoe ver is Maastricht?"  vroeg ze. "Kilometer of tien". 


Ik parkeerde voor mijn deur. Jullie omsingelden de auto, zeiden mij uit te stappen, naar binnen te gaan. De volgende dag las ik het bericht.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen