4 sep. 2012

Conceptie





Maart 1948. Het begon op de dag dat ze om vier uur thuiskwamen. De broers in uniform. Van de boot stapten ze op de trein. Rotterdam Centraal, neem ik aan. Vreemd, dat landschap dat hetzelfde was als toen, dezelfde stations, maar andersom, behalve de cadans. De mensen die steeds gewoner gingen praten. Er werd naar hen gekeken, maar niet met hen gepraat: hun huid was veel te bruin. Hun gezicht tenminste, de driehoek onder hun hals en de onderarmen, meer was het niet. De ogen moe en alert tegelijk.
Dit was al bijna thuis, zeiden ze. Dit was waarnaar ze verlangd hadden. Dit was waarvoor ze bang waren geweest. Terug naar de dood, had een van hen het genoemd. Ik weet niet wie. De oudste, denk ik, omdat dat beter past in mijn verhaal. Maar hij was niet zo’n prater. Liever keek hij voor zich uit en liet de weilanden aan zich voorbij gaan. Nee, dan zijn broer! Niet voor niets was die daarna verzekeringsagent geworden: hij kreeg de mensen waar hij ze wilde, en soms nog verder ook.
Pas na Sittard werd het landschap iets vertrouwder. Ze zagen heuvels en een steenberg die niet de hunne was. Er moet toch meer zijn dan dit, hadden ze tegen elkaar gezegd, jaren geleden toen de tijd nog donker was en hopeloos. Toen hun huid nog zwart was van het kolengruis. Hun gezicht tenminste en de onderarmen.
En nu, nu ze de haat hadden leren kennen en de liefde en de eindeloze zee, keerden ze terug naar huis. De laatste kilometers waren ongemakkelijk. Ze praatten niet. Soms wezen ze met een achteloze vinger naar een grauw gebouw dat ze herkenden. Er lag een waas over de stad. Een zwart waas dat de zon opzoog. En er was geen water, er was nooit water geweest in dit uit de steenkool gewassen dorp, waar mensen vreemden waren, waar alleen ondergronds geleefd werd en bovengronds beleefd geknikt.
Een bus wachtte. Niet op hen, maar ze wachtte totdat ze ingestapt waren en naast elkaar een plaats hadden gevonden. Om de beurt noemden ze de halteplaatsen die de chauffeur even later omriep: Heesberg, Watertoren, Heerlerbaan kerk. Bautscherweg, de laatste zeiden ze tegelijkertijd. Ze lachten kort om het toeval. Ze keken elkaar niet aan toen ze uitstapten.
Honderd meter, meer was het niet. Ze zagen hoe een meisje in zomerjurk naar binnen rende, een huis in. Er hing iets aan de gevel van het huis. Hun huis. Thuis. Nog ver zagen ze een hoofd uit het portiek steken. Was dat? Het was weer weg. En toen kwamen ze naar buiten. Twintig mensen. Familie, buren.
Welkom thuis
De broers versnelden hun pas. Een kale man gaf aanwijzingen: daar! Daar! Jij daar! De broers gooiden hun plunjezakken op de grond. Ze spreiden hun armen, maar de kale man stak zijn hand op: halt! Henk en Rien bleven staan. De kale man kwam naar hen toe, pakte de broers bij de mouwen en trok hen naar de juiste plek. Op het onderste van de drie treden stond zij: Zomerjurkje, een blaadje in haar hand.
De kale man gaf een teken. Het meisje keek hem even aan. ‘Ja Mientje, begin maar.’ ‘Vader,’ zei mijn vader. ‘Mientje!’ herhaalde mijn grootvader.
‘Welkom thuis, mannen. Welkom thuis uit ons verre Indië.’

‘Ze is pas vijftien of zo.’
‘Ja, en wat dan nog?’
‘Jij bent vijfentwintig.’
‘Nou?’
‘Dat verschil is toch veel te groot. Ze is nog een kind.’
‘Maar wat voor een kind! Dat verwacht je toch niet hier op de Heerlerbaan. Zeker niet met die ouders.’
‘Ja, maar toch.’
‘Geef nou maar gewoon toe dat jij haar ook wil.’
‘Ik?’
‘Vergeet het.'
En even later: 'Laat het raam open, he.’

Hij liet zich vanuit hun slaapkamerraam op het dak van de veranda zakken en liep – zijn voeten zoveel mogelijk op het ijzer plaatsend- zich met bakstenen vingers vasthoudend aan de muur van de kamer van zijn andere broers naar de hoek van de uitbouw. Daar scheen de maan (vol natuurlijk), maar niemand kon hem zien. Op de nok van het dak van de schuurtjes die de buurhuizen scheidde, bleef hij zitten, rookte een sigaret.

‘Ik moet hier weg’, dacht hij: ‘Ik hoor hier niet meer. Ik kan dit zwarte leven niet meer aan. De kerk, de harmonie, de mijn.’ Vooral de mijn. Nooit meer wilde hij zijn leven laten bepalen door zwarte bergen aan een beperkte horizon. Nu wilde hij naar Mientje: hij had haar blik gezien, grote ogen van bewondering voor de gebronsde buurjongen in uniform.

De jongen bij wie ze vroeger nog wel eens op schoot gezeten had, op het stoepje voor hun huis. Hij was altijd aardig tegen haar. Zijn hele familie was aardig en vooral gewoon, normaal. Niet de voortdurende strijd die bij haar gewoonte was. Het eeuwige gevecht tussen de grote rondborstige oermoeder en de tengere driftige stroper, waar haar jongste zus alleen aan had weten te ontkomen door eenvoudigweg dood te gaan. Haar veel oudere broer en zus waren getrouwd en weggegaan naar dorpen in de omgeving. Alleen zij was nog thuis. Ze haatte thuis. Het werk dat ze er moest doen nadat ze thuisgekomen was van haar dienst bij een familie in de stad.

Ze zat op de rand van haar bed en keek naar het openstaande raam. Ze luisterde naar geluiden en probeerde ze uit te leggen. Ze hoopte dat hij had gezien wat haar ogen zeiden, eerder vandaag, bij de welkom-thuis kus. Ze hoopte, dat hij had gemerkt hoe zij hem daarbij net iets langer vasthield dan hoorde.
Het voorlezen van de welkomstwoorden was best goed gegaan. Ze had zich goed geconcentreerd, wilde geen fouten maken, maar de woorden van de oude Hendriks klonken haar zoals steeds vreemd in de oren, ook als ze op papier stonden. Hij was de enige in de straat die geen dialect sprak. Hij kwam ergens uit het noorden. Haar vader mocht hem niet: ‘echte kerels werken ondergronds.’ Hendriks was geen mijnwerker, hij werkte bij de mijn.
Die morgen had ze de oude Hendriks geholpen bij het beschilderen van het bord voor boven de voordeur. ‘Welkom thuis’ stond er op en twee palmbomen en een zon. Daarna had ze de ladder vastgehouden terwijl hij dat bord ophing en er lange groene slingers aan bevestigde. Weer thuis had ze zich gewassen, haar haren gedaan en haar beste kleren aangetrokken. Assepoester had ze zich gevoeld toen haar moeder haar nog geen uur voor de geplande aankomst had opgedragen de aardappels te schillen. “Mam!!!’ Haar moeder had alleen schamper gelachen en geknikt in de richting van de kelder: daar lagen de aardappels. Haar moeder, de matrone van de straat, de ruziemaakster.

Mientje stond op van haar bed en stak haar hand uit naar haar prins. ‘Hoeft niet,’ fluisterde die en trok zich behendig op aan de vensterbank van haar slaapkamerraam. Ze legde haar wijsvinger op haar lippen. Onnodig. Terwijl hij nog op de vensterbank zat, trok hij zijn schoenen uit en liet ze aan de veters op het dak van het schuurtje zakken. Dat had hij in Indië geleerd.

Zie ook: Ultrakorte autobio (animatie)
Tijdens de ongelooflijk lange zwangerschap had mijn moeder haar betrekking opgezegd en was gaan werken in de winkel van Sophie Houben, fournituren en nylonreparatie. Nadat ze moeder was geworden bleef ze dat laatste thuis doen tot nylonkousen zo goedkoop werden dat het ophalen van ladders zinloos was. Mijn vader volgde een opleiding tot meesterhouwer en was tot 1954 lid van de socialistische mijnwerkers-vakbond. In dat jaar bevielen ze van mij.



Toen ik mijn vader lang geleden vroeg naar de dag van mijn conceptie, keek hij me eerst verbaasd lachend aan. ‘Wat is dat nou voor een vraag? Dat weet ik niet meer, hoor. Het zal augustus zijn geweest.’ Hij telde het op zijn vingers na en knikte. ‘Het gaat niet om de biologie,’ zei ik: ‘Het gaat om het idee, het concept.’
Waarop mijn vader ongetwijfeld schamper zal hebben gelachen en voorgesteld naar bed te gaan: het was al laat tenslotte, en we hadden te veel gedronken: ook voor een conceptuele zwangerschap was zes jaar te lang en - door de tussentijdse geboorte van mijn oudere broer - onwaarschijnlijk.





3 opmerkingen:

  1. poëtisch geschreven en fijn om te lezen

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Beeldend, zie "dur nonk Henk"zo voor me!
    En op de foto ook nog dur opa van Susteren en mijn opa Breemen toch?

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Dank jullie wel.

    Inderdaad, Con, ze zijn het. Verder nog 'Oma Susteren', maar ik weet niet of jij je haar nog herinnert.

    BeantwoordenVerwijderen