3 nov. 2013

Table Top Joe

Tom waits en Kathleen Brennan

Ik heb het eerder gedaan, maar het blijft altijd een beetje link om een blog aan één muziekje te wijden. Er is altijd een kans op verveling bij de lezer/luisteraar. Hij hoort keer op keer dezelfde melodie tenslotte. Toch doe ik het nog een keer, want het gaat nu over het nummer Table Top Joe van Tom Waits en Kathleen Brennan. Het nummer staat op de cd Alice uit 2002.

Ik had al een hele tijd geen Waits meer geluisterd, ook niet echt veel andere muziek trouwens. Hij kwam weer bovendrijven door werk waarmee ik voor mijn school bezig ben. Ik wil een aantal dagelijkse woorden in verschillende talen (N-D-E) vertalen, en ze enigszins associatief benaderen. Deze keer ging het om het woord tafel. Onderwerpen die in mijn document aan de orde komen zijn o.a. de Tafelberg, de rekentafeltjes, de schilder Tischbein en (dus) Table Top Joe. 

Zelfportret Johnny Eck
Ik herinnerde me dat ik al eerder wat info over dat nummer had gezocht, maar dat ik dat toen deed als spin off van mijn zoektocht naar Poor Edward, een ander nummer op die cd dat net als Table Top Joe gaat over iemand die in Freak Shows optrad. Het verschil is dat Edward Mordrake waarschijnlijk nooit heeft bestaan, althans niet als de man met de twee gezichten. 
Table Top Joe heeft wel degelijk bestaan, al was zijn echte naam niet Joe maar Johnny. Johnny Eck of eigenlijk Johnny Eckhard. De goede man had geen benen, of eigenlijk heel kleine rudimentaire benen die hem niet konden dragen. Hij liep op zijn handen (en dat deed hij, zo gaat het verhaal, eerder dan dat zijn tweelingbroer op zijn benen liep). Hij is nooit groter geworden dan 51cm en dat is zelfs voor iemand zonder benen aan de korte kant, lijkt mij. Hij verdiende de kost door, samen met zijn broer, op te treden in zogenaamde freak shows, shows dus waarin de gebreken van sommige mensen uitvoerig werden uitgelicht en uitgelachen. Een rare gewoonte die een moderne variant kent in allerlei reality-shows die we op tv kunnen volgen. Hij heeft goed van zijn uiterlijk kunnen leven. Hij stierf in 1991 op 79-jarige leeftijd. 



Het is niet mijn bedoeling hier veel meer over Ecks leven te gaan vertellen. Wie daarin geïnteresseerd is, verwijs ik naar het Johnny Eck Museum in Baltimore en de online versie daarvan, die onder deze link te vinden is. 
Ik wilde iets schrijven over het nummer van Tom Waits en de fascinatie die Waits klaarblijkelijk heeft voor ‘freaks of nature’ als Johnny Eck en Edward Mordrake. De tekst van het lied begint met een vrij nuchtere vaststelling: ‘Well, my mother didn’t  want me on the day I was born’. Maar dankzij zijn liefde voor de muziek en het circus wordt hij rijk en beroemd en ‘proved everyone wrong’. De muziek heeft iets van een gezellige meezinger. Kortom, Table Top Joe was gelukkig met zijn leven. Toch heeft het lied een erg verdrietige ondertoon. Dat ligt natuurlijk deels aan de onnavolgbare stem en dictie van Tom Waits. Maar het komt vooral door onze (of in ieder geval: mijn) idee dat iemand met een dergelijk probleem nooit echt gelukkig kan worden. Maar is dat wel zo? 

video

We zien iemand als Johnny Eck tegenwoordig graag in een soort heldenrol. Kijk eens wat hij, ondanks zijn handicap bereikt heeft. Dat vinden we geweldig knap, maar we zien er ook een onderliggende droefenis bij die ons aanzet ‘iets’ met zijn leven te doen. Er een les uit trekken of zo. Daarom schreven Waits en Brennan dat lied, en daarom coverden anderen het of verzonnen er een soort mime bij of maakten een schilderij van Johnny Eck en zetten dat proces met de muziek van Waits op video en op Youtube. Want ook wij missen soms onze benen.

14 okt. 2013

Triperie


Ook als ze soms worden misbruikt op melige ansichtkaarten houd ik van bijzondere straatnamen. Op die ansichtkaarten zijn het dan veelal namen met een seksuele connotatie, of eigenlijk met aanduidingen die ook voor bepaalde onderdelen van het menselijk lichaam in zwang zijn. Hier in Maastricht heb je zo de Zak- en de Eikelstraat. Volgens de routeplanner van de ANWB is de wandelroute tussen die twee straten 1200 meter lang. Je zou die route een naam kunnen geven: de Schachtroute of het Ejaculatiepad. De Eikelstraat komt trouwens zo’n beetje uit op de Maas. Dat moeten de freudianen onder ons maar eens verder uitzoeken.

Maar goed, binnenkort gaan D. en ik naar Mons. In een vorig blog heb ik dat bezoek al aangekondigd. We gaan daar natuurlijk in eerste instantie naar toe om een paar aangename dagen door te brengen. Dat is in Belgische steden over het algemeen goed te doen. We hebben er een (waarschijnlijk) leuk hotel geboekt dat in een oude kapel of zoiets is gevestigd en dat aan de Rue de la Grande Triperie ligt, hetgeen je zou kunnen vertalen als de Straat van het Orgaanvlees, maar waarmee ze dan uiteraard de bijbehorende slagerij bedoelen. Het zou me niet verbazen als ook in die straat ooit resten zijn gedeponeerd van de slachtoffers van de ‘Dépeceur de Mons’, waarover ik in dat vorige blog schreef. 

Daarmee kom ik dan bij de tweede reden voor ons bezoek aan net die stad. Delen van lijken zijn onder andere gevonden aan de Chemin de L’inquiétude, aan de Rue du Dépôt, de Rue de la Trouille en in het riviertje de Haine. Waarbij even aangetekend moet worden dat de Rue de la Trouille vernoemd is naar een beekje met die naam dat uitmondt in het riviertje. Ik bedoel maar, waar zie je het zo duidelijk voor je? De Angst die uitmondt in de Haat. Die plekken wil ik natuurlijk wel even opzoeken.

Rue de la Taille des mères, Mons (Streetview)
Maar denk nu niet dat ik alleen kan genieten van dergelijke nogal morbide namen. Ik kan ook opleven bij namen als Rue du Chant des Oiseaux en Rue de la Taille des Mères. Vooral die laatste natuurlijk, al stelt ze als straat niet veel voor, zoals ik via Streetview al heb kunnen vaststellen.

Ik hoop op meer dan alleen de naam bij de Rue des Cinq Visages. Ik vermoed dat in die straat de oplossing te vinden is van het Monse mysterie. Misschien woont of woonde de moordenaar wel in die straat. Ach nee, dat zou te gemakkelijk zijn. Maar hij heeft er wel zijn epifanie gehad, de openbaring, die hem tot zijn daden zette. 

Triperie
Daarover, over die openbaring ga ik zitten nadenken terwijl ik naar Mons rijd. Daarover zal ik piekeren terwijl ik geniet van D. en de stad. En ‘s avonds in bed, in de gewezen kapel bedenken D. en ik het motief voor een vijfvoudige moord. En we nemen ons voor om voor ons vertrek op zoek te gaan naar een slager in de Rue de la Grande Triperie, of in de Rue de la Petite Triperie, die erop uitkomt. Daar kopen we dan kippenlevertjes.

Die levertjes gooi ik die avond in een pan waarin fijngesneden pijpuitjes, rawits en knoflook al liggen te sissen en laat ze op hoog vuur dichtschroeien. Een paar minuutjes maar, anders worden ze te droog. Een royale schep mosterd en een flinke scheut witte wijn maken het verhaal af.



29 sep. 2013

Aanslag


Ik heb het al eerder over het gedrocht gehad, maar omdat ik er vandaag weer mee werd geconfronteerd, moet ik er nog eens iets over noteren.
Geconfronteerd is niet het juiste woord trouwens, ik heb het zelf opgezocht. 
Het ging zo: D. en ik hadden een zeer aangenaam verblijf in Amsterdam achter de rug. We hadden verschrikkelijk mooie dingen gehoord en gezien. Daarover later meer. 
Martinus Nijhoffbrug, foto: D. Soli
Op de terugweg via de A2 schoot ter hoogte van Culemborg de plaatsnaam Zaltbommel me weer eens te binnen en het bezoek dat ik een aantal jaren geleden aan dat pittoreske stadje aan de Waal bracht. We hadden alletwee honger en besloten op mijn voorstel de autoweg na de Martinus Nijhoffbrug even te verlaten en in het stadje een hapje te gaan eten. Dat was een goede keuze want de pizza Napolitana van Perla di Cairo aan de Gasthuisstraat was voortreffelijk. En Zaltbommel is zo’n stadje waar je een zonnige namiddag op een prettige manier kunt doodslaan.
Tenminste dat zou het zijn als het die wanstaltigheid niet binnen zijn muren zou gedogen.

Bij mijn vorige bezoek aan Zaltbommel (een jaar of 8, 9, 10 geleden) doopte ik het onding ‘Gatsie’. Ik was zo ondersteboven van de lelijkheid dat ik er geen andere woorden voor kon vinden. Het was het eerste en enige woord dat ik dacht toen ik het beeld voor het eerst zag. Naderhand ben ik nog een eenmans-actiegroep begonnen om het ding weg te krijgen. Zonder enig gevolg, want ik schreef er wel een blog over, maar ik kreeg er geen reacties op. En verder: je kunt gemakkelijker langs Zaltbommel rijden dan er naar toe. Ik besloot het lelijks in het centrum van ons land uit mijn gedachten te bannen. Daarbij voelde ik wel een zeker mededogen met de Zaltbommelnaars, want je zult toch maar elke dag een dergelijke ellende met Brekeriaanse allure in ogenschouw moeten nemen.

Want dat is het: Brekeriaans!
Breker portretteert Albert Speer

Dit werk (uit 2000) van kunstenaar Marcel Smink (Heumen, 1957) zou zo uit het atelier van een van Hitlers favoriete beeldhouwers Arno Breker weggelopen kunnen zijn. Ik heb het dan voornamelijk over het formaat en de (gedeeltelijke) naaktheid van de jongen die op en bij de Bommelse Waalkade in zijn zwembroekje met zijn linkerhand de waterstand staat aan te geven. Op de site Mens & Dier in Steen & Brons van Rene en Peter van der Krogt geeft het werk de hoogte aan van de muur op de Waalkade (8.87m boven NAP). Het werk zelf is 437cm hoog. Rekening houdend met de sokkel is de figuur erop dus ongeveer twee maal levensgroot. Smink noemt het werk op zijn eigen site ‘Waterstandbeeld’. De van der Krogts noemen het ‘Hoogwater’ (Jongen in zwembroek). 

Beeld, zeg ik hierboven. Dat klopt niet. Het is een beeldengroep. Het eerste beeld staat ten voeten uit in de bosjes langs de rivier, Deel twee (een kopie van de schouders en uitgestrekte arm en het hoofd van deel 1) staat op de kade zelf en reikt met zijn hand tot precies dezelfde hoogte. Het is alleen minder lelijk omdat er gewoon minder beeld is. 

Mijn vergelijking hierboven tussen Sminks en Brekers werk wil natuurlijk helemaal niet zeggen, dat ik denk dat de eerstgenoemde nazi-sympathieën zou hebben. Ik ken hem niet en weet niets over zijn sympathieën, maar ik ga er van uit dat hij een redelijk weldenkend mens is en dat het beeld dus wil zeggen wat het gezegd wordt te willen zeggen: tot hier mag het water komen, verder niet. Dat de knul dat aangeeft met een opgeheven arm (zijn linker), reminisceert natuurlijk ook helemaal niet aan de nazi-periode. Daarvoor is hij niet strak genoeg opgeheven. De knul is trouwens eigenlijk niet gespierd genoeg om een echte Breker-jongen te zijn. Kortom: ik had de vergelijking hierboven eigenlijk helemaal niet moeten maken. 
Maar toch, maar toch. Het was mijn eerste gedachte vanuit mijn gebrekkige kennis van het werk van Breker. En ook werd ik bij het beschouwen van het beeld vandaag weer bevangen door een lichte vorm van onpasselijkheid. 
En ik denk dat ik weet waarom.
Hij had daar gewoon in zijn blote piemel moeten staan. Dan had hij misschien nog iets van een jonge god gekregen. Nu staat hij er in een lullige zwembroek en zegt: ‘ Kijk, mam, tot zo hoog mag het water komen!’ Waarop zijn moeder zal hebben gezegd: ‘ Goed zo jongen, knap dat je dat weet.’ 

In het voorstel dat Smink bij de gemeente indiende, was de jongen natuurlijk naakt. Ik bedoel; een beetje kunstenaar wil toch geen zwembroek beeldhouwen! Maar de gemeenteraad vond dat toch iets ver gaan. Ik heb de samenstelling van die raad op dit moment (2013) eens bekeken: SGP 4 zetels, de CU heeft er 2, het CDA 3. Daarnaast is er nog een lokale partij (ZVV) met 3 zetels. Maar ook VVD (3) PvdA (3), D66 (2) en GL (1) zijn vertegenwoordigd. Ik weet niet hoe de verdeling in 2000 was, maar de vraag rijst natuurlijk of die zwembroek van de toenmalige coalitie afkomstig is. 
Ik weet het niet. Ik wil het ook niet weten. Nou ja, eigenlijk wil ik het wel weten, maar ik heb geen zin het te gaan uitzoeken. 

J.H. oefent aanslag. Foto: D. Soli
Wat ik wel wil is het volgende. Tegen de komende jaarwisseling koop ik hier in Maastricht vuurwerk voor J. Ik beloof hem wat extra knalvuurwerk in plaats van die vervelende vuurpijlen. Twee van de stevigste knallers zijn dan voor mij. 
Op 4 of 5 januari rijd ik dan (alleen) naar Zaltbommel. Ik eet een pizza Napolitana bij Perla di Cairo. En dan loop ik naar de Waal. De eerste knaller stop ik in het zand onder het voetstuk van de zwembroekjongen. Ik steek hem aan en er volgt een redelijk gedempte knal. Er gebeurt verder niets. Ook de tweede aanslag, op het ‘borstbeeld’ richt geen schade aan, maar omdat vanuit de aan de kade gelegen kroegen natuurlijk op me gelet wordt, ren ik zo snel ik kan naar mijn auto. Ik weet onherkend weg te komen, maar Zaltbommel neemt de zaak hoog op. Er wordt een gemeentebreed onderzoek gelast. De uitbater van Perla di Cairo vertelt over een Maastrichtenaar die van pizza Napolitana houdt. De vuurwerkregistratie leidt ook naar Maastricht.  Anderhalf jaar later word Ik gearresteerd. Veel media-aandacht. De procureur besteedt tijdens de zaak veel aandacht aan mijn blog van jaren her. Ik krijg een taakstraf. Vijf jaar lang moet ik op de dag van mijn aanslag het beeld ‘ Jongen in zwembroek’ met een spons en koud water schoonmaken.

18 sep. 2013

Strange Fruit

Billie Holiday

Ik heb altijd gedacht dat de tekst van Strange Fruit geschreven was door Billie Holiday. Nu ja, ik heb er eigenlijk nooit over nagedacht en het nooit gecheckt. Het was altijd zò haar nummer dat het eigenlijk niet anders kon. Vandaag heb ik op de Engelstalige Wikipedia meer gelezen over het ontstaan van het lied. 
Maar laat ik eerst iets opschrijven over mijn eigen geschiedenis met dit mooiste jazznummer aller tijden. 

Ik leerde Strange Fruit kennen via de biografische film Lady Sings the Blues van Sidney J. Fury (1972). De naam en sommige muziek van Billie Holiday moet ik toen al gekend hebben, want ik kan me nog goed herinneren dat de keuze voor Diana Ross als hoofdrolspeelsters me in het geheel niet beviel. 
In die tijd namelijk was je van de blues of van de soul, en ik koos voor de blues. Soul was mij te zeer dansmuziek, en tja, ik was (en ben) nogal een houten klaas. Verder was ik in die tijd vrij veelvuldig stoned, en daar paste -vond ik- de blues ook beter bij. Dat Billie Holiday intussen een jazz-zangeres was, kon ik -niet helemaal ten onrechte- in overeenstemming brengen met mijn muzikale voorkeur omdat de grenzen tussen die twee genres vaak erg vaag waren en zijn. Dat datzelfde ook gold voor de grens tussen soul en jazz en soul en blues wilde ik toen niet weten. 
Platenhoes Lady Sings the Blues
Diana Ross was een souldiva (die ook nog eens lullig deed tegen de andere Supremes geloof ik). En ze had dat rottige lachje, dat een beetje gepijnigde trekje rondom haar mond, dat iets hypocriets leek uit te stralen. Nee, Diana Ross was mijn type niet.
Maar de film sprak me aan. Heel erg. Nou was het ook wel een drama van de bovenste plank, maar dat was het leven van Billie Holiday natuurlijk ook. Voorzover we dat kunnen weten uit de door een ghostwriter geschreven autobiografie waarop de film gebaseerd is. 

Na het zien van de film ging ik zo spoedig mogelijk naar een platenzaak en kocht daar de soundtrack van de film en omdat ik gelukkig nog geld over had ook een LP van Billie Holiday. Toen heb ik Billie Holiday en Strange Fruit voor het eerst heel bewust gehoord. Het stoorde me vanaf dat moment enorm dat Strange Fruit niet als laatste nummer op de soundtrack stond, maar ergens middenin. Slotnummer was (meen ik) God Bless the Child. 
Als ik daarna Diana Ross’ songs uit de film nog eens luisterde, sloeg ik Strange Fruit altijd over. Van de overige nummers kon ik nog best genieten. 
Maar vaker en met intens genoegen luisterde ik keer op keer naar de echte Lady Day. Dat was pas echte muziek en de slotschreeuw van Strange Fruit waarmee het album werd afgesloten, snijdt me ook nu nog, keer op keer, door merg en been.

Maar de tekst is dus niet geschreven door Billie Holliday. Ook de muziek is niet van haar hand, ook niet deels, hoewel dat in de bovengenoemde autobiografie wel beweerd wordt. Toen haar werd verweten dat ze in dat boek toch enigszins gelogen had, wierp ze tegen: 
"I ain't never read that book." Wat ik een heel aardige opmerking vind over een autobiografie.

Abel Meeropol en zijn aangenomen zoons
Het lied is geschreven door Abel Meeropol (onder het pseudoniem Lewis Allen, 1903-1986) een joodse dichter, leraar, songwriter en communist, die ook nog eens de stiefvader werd van de zoons van Julius en Ethel Rosenberg (veroordeeld en geëxecuteerd wegens vermeende spionage voor de Sovjet-Unie in 1953). Hierdoor ontvangen de kinderen van de Rosenbergs tot op de dag van vandaag royalties vooronder andere Strange Fuit. Ik vind dat een gegeven van een vreemd soort gerechtigheid.

De lynchpartij van Thomas Shipp en Abram Smith
De tekst verscheen in 1937 als gedicht. In de Engelstalige Wikipedia staat onder het lemma Strange Fruit dat het voor het eerst in The New York Teacher, een vakbondsblad, verscheen. In het artikel over Meeropol wordt The new Masses als plaats van eerste verschijnen genoemd, een ‘marxistische publicatie’. 
Meeropol kwamt tot het schrijven van zijn gedicht door een foto die hij zag van de lynchpartij van Thomas Shipp en Abram Smith op 7 augustus 1930 in het plaatsje Marion in Indiana. Deze twee mannen hadden een dag eerder een blanke man vermoord en (zei men) diens vriendin verkracht. Dat laatste bleek achteraf niet waar. In de nacht na de moord en de arrestatie werden de mannen door een woedende menigte uit de cel gehaald en aan een boom opgehangen. Omdat een van de mannen te zeer tegenstribbelde werd hij nog even losgemaakt zodat men hem de armen kon breken. Er werd een foto gemaakt van de lijken aan de boom en de groep lynchers die tevreden op zijn werk terugkeek. 

Meeropol vroeg een aantal mensen zijn gedicht op muziek te zetten, maar omdat hij niemand kon vinden, deed hij het uiteindelijk maar zelf. Samen met zijn vrouw en de zangeres Laura Duncan voerde hij het op verschillende plaatsen uit, onder andere in Madison Square Garden.

Er bestaan verschillende versies over hoe het lied uiteindelijk bij Billie Holiday terechtkwam. In 1939 voerde ze het voor de eerste keer uit in Cafe Society in Greenwich Village, de eerste nachtclub in New York waar zowel zwart als wit welkom waren.
Billie Holiday vond het eigenlijk een beetje akelig het lied te zingen, ze was bang voor reacties van racistische heethoofden. Ook de eigenaar van de kroeg had bedenkingen en stelde daarom een paar regels op. 
Het moest het laatste nummer van de avond zijn.
Er zou al even tevoren geen drank meer geschonken worden.
Alle lichten zouden uitgaan, behalve een spotlight op het gezicht van Billie Holiday.
Er zou geen toegift zijn.
En tijdens de muzikale intro zou Billie Holiday met gesloten ogen op het toneel staan, als in gebed.



De rest is, zoals je dat dan moet zeggen, geschiedenis. Het nummer werd na wat tegenstribbelingen opgenomen en het werd meer dan een miljoen keer verkocht.
Later nam Billie Holiday nog een tweede versie op. Talloze andere muzikanten volgden haar. Kijk op de wikipediapagina voor de lange, lange lijst. Tussen al die andere versies heb ik er eigenlijk maar een gevonden die in de buurt komt van die van Billie Holiday. dat is die van Nina Simone, ook van haar krijg ik kippenvel.

De overige versies? Ach.
Maar ik ben blij dat ze gemaakt zijn. 

14 sep. 2013

For No One


Ik ben aan een verhaal begonnen, vanavond. Eindelijk weer aan een verhaal begonnen. Een paar honderd woorden ver ben ik pas, maar de toon bevalt me en het onderwerp moet nodig aan de orde komen. 
Maar ik moet nu langzaam gaan toeschrijven naar de (eerste?) seksscène in het verhaal en daar moet ik nu niet aan beginnen, want het wordt geen vrolijke seks. 
Dus stopte ik dopjes in mijn oren en ging ik op zoek naar een mooi muziekje. Vanmiddag -in de auto op weg naar huis- heb ik Meret Becker en Ars Vitalis gedraaid en ik had het openingsliedje nog steeds in mijn hoofd: Je suis seul ce soir. 
Daarom tikte ik bij Youtube de naam Meret Becker in en ik vond een mooie uitvoering van For no one van de Beatles. Ze zingt het zoals ook Marianne Faithfull vroeger een Beatles-nummer had kunnen zingen. Melancholiek en breekbaar, andere woorden vind ik er niet voor. 





Het nummer komt van Revolver (1966) en die LP kende ik natuurlijk wel, maar ik herkende de titel van de song niet. Dus heb ik de Beatles-versie ook nog maar eens beluisterd en daarna nog een uitvoering van van Emmylou Harris. Laat ik kort zijn: Meret Beckers versie is verreweg de beste. 


For no one

Your day breaks, your mind aches
You find that all her words of kindness linger on 
When she no longer needs you

She wakes up, she makes up
She takes her time and doesn't feel she has to hurry
She no longer needs you

And in her eyes you see nothing
No sign of love behind her tears
Cried for no one
A love that should have lasted years

You want her, you need her
And yet you don't believe her when she says her love is dead
You think she needs you

And in her eyes you see nothing
No sign of love behind the tears
Cried for no one
A love that should have lasted years

You stay home, she goes out
She says that long ago she knew someone but now he's gone
She doesn't need him

Your day breaks, your mind aches
There will be times when all the things she said will fill your head
You won't forget her

And in her eyes you see nothing
No sign of love behind her tears
Cried for no one
A love that should have lasted years


Ik vond de lyrics van de song op een site waarop ook een aantal mensen iets vertelden over -laten we zeggen- hun ervaring met het lied. De mooiste vond ik:
I love this song so much but it sure makes me depressed. lol. 



Heel anders, maar toch vergelijkbaar passend bij het verhaal waarvan ik hoop dat ik er morgen aan verder ga schrijven, is de korte animatiefilm Tom Waits for No One, waarin Waits het nummer The One That Got Away uitvoert. 

Tom Waits for No One



De film is via de rotoscoping-techniek gemaakt. Dat wil zeggen dat opgenomen filmbeelden frame voor frame op een tekentafel worden geprojecteerd en overgetekend. Althans, dat was vroeger de techniek. tegenwoordig heeft de computer natuurlijk het werk overgenomen. De originele rotoscoop is een uitvinding van Max Fleischer, de tekenaar van Betty Boop. Hij heeft de techniek onder andere gebruikt om de danspassen van Cab Calloway te ‘klonen’ in Minnie the Moocher. Over Fleischer, Boop en Calloway heb ik het al eerder gehad, maar het kan geen kwaad het kunstwerkje waaraan ze alledrie meedoen hieronder nog eens te vertonen. Al was het maar omdat ook in mijn toekomstige verhaal enkele geesten verdreven zullen worden.


11 sep. 2013

Gelijk


De discussie is natuurlijk al duizenden jaren oud. Moet je iets weten of moet je iets kunnen opzoeken.Het antwoord is al evenzo lang hetzelfde: beide. 

Het begon natuurlijk allemaal toen twee herders elkaar ontmoetten en voordat ze het goed in de gaten hadden de geiten van beider kuddes zich vermengden. Ze wilden vastleggen hoeveel geiten van de een en hoeveel er van de ander waren. De slimste van de twee nam een stok en trok een streep in het zand. Hij wees daarbij op zijn oudste geit, de oermoeder. De andere herder knikte. Dat streepje betekende die ene specifieke geit. De herder trok een tweede streep. Iets korter misschien en wees daarbij op een van de beesten van de volgende generatie. En zo ging hij nog even door.

Een magisch moment zijn we nu geneigd te denken. Maar het zal misschien
eerder een moment van boerenslimheid zijn geweest van de eerste herder, die slechte ervaringen had met  de ander: bij een vorige ontmoeting was hij een van de jongste geitjes kwijtgeraakt. Hij zou niet nog een keer bedrogen worden.

Het schrift was geboren. Het maakt daarbij niet uit of de eerste teller dat met een stokje in het zand deed of dat hij via de vingers van zijn hand telde. Misschien ging het ook helemaal niet om geiten, maar om bijvoorbeeld een aantal korenaren. Het voor ons magische moment was het plotselinge inzicht dat het ene het andere kon betekenen. 

Thuisgekomen vertelde hij trots over zijn slimmigheid. Zijn zoons keken de vaardigheid snel van hun vader af. Al snel telden ze alles wat los en vast zat. Waarschijnlijk was het zijn nurkse vader die zoiets zei als: ‘Jaja, allemaal leuk en aardig die streepjes van jou, maar je had het gewoon moeten zien, moeten weten dat die ander een geit teveel meenam. Als je het weet, hoef je het niet met streepjes te controleren.’ De vader van de vader verbood zijn zoon en kleinzoons het gebruik van streepjes. ‘Want’ zei hij, ‘ straks gaat het op een beetje vreemde manier waaien en de wind waait net de streepjes die jij hebt gezet weg. Dan kun jij niet meer bewijzen dat die geiten van jou waren. En dan zijn we alles kwijt en we verhongeren. Is dat dan wat je wilt, met die rare streepjes van jou?’ 

De tijden waren toen nog zo dat een herder zijn vader gehoorzaamde. Maar niet veel later stierf de oude en de zoon zag zijn kans schoon. Als nieuwe oudste van zijn stam verplichtte hij iedereen zijn systeem van streepjes te gebruiken. ‘Want mensen vergeten nu eenmaal dingen.’ 

Sindsdien is het grote vergeten alleen maar verder gegaan. 

Maar

Sinds het grote vergeten is begonnen, zijn er steeds meer methoden bedacht om datgene waarover men zeker wilde zijn vast te leggen. Het begon enkele weken na de dood van de grootvader uit het verhaal hierboven. De vader stuurde zijn oudste zoon op pad met de kudde. De zoon ontmoette de zoon van die andere herder. De kuddes liepen al snel weer zo chaotisch door elkaar dat de twee zich genoodzaakt zagen streepjes te gaan zetten. Zeker als ze waren dat de een de ander niet zou kunnen bedriegen, zaten ze genoeglijk naast elkaar en vertelden de wederwaardigheden uit hun dorp. 
Kudde geiten
Maar toen stak de wind op. De verraderlijke wind waarvoor grootvader had gewaarschuwd. De kleinzoon had de streepjes achter een groot rotsblok getrokken, maar de wind kwam uit een onverwachte hoek en blies een paar van de streepjes weg. Het kostte hem twee geiten. 

Op weg naar huis, bang voor zijn vader, bedacht hij een methode om een dergelijke ramp in de toekomst te voorkomen: hij zou voor elke geit waarmee hij vertrok een kort stokje meenemen, dat hij meteen aan die schoft uit het andere dorp kon laten zien: ‘Kijk eens, zo veel geiten hebben wij.’ 

Misschien zou zijn nieuwe wetenschap vaders woede enigszins bekoelen. Uit het verleden immers bleek dat vader wel te vinden was voor innovatie, dacht hij hoopvol. Helaas voor hem viel dat nogal tegen. Hij werd verbannen en stierf een jammerlijke dood. De tweede zoon nam niet veel later de leiding van de stam op zich.

Die tweede zoon staat dan weer bekend als de uitvinder van de MacBook Air en van Google. De tijd vliegt, nietwaar.
Zijn beroemde stelling is: ‘Je hoeft niet te weten wat je kunt opzoeken.’
Waarop zijn reactionaire vader volgens de overlevering heeft gezegd: ‘Voor je iets kunt opzoeken, zul je wel moeten weten wat je moet weten.’ 


En dat is de discussie die nu nog door (onder andere) onderwijsland waart. 

Over niet al te lange tijd zal het Nederlandse scholenlandschap zijn ingedeeld in ‘Scholen met het boek’ en ‘Scholen met de MacBook’. Beide types scholen worden als vanouds vooral gekenmerkt door geloof. Beide types hebben -vinden ze zelf- gelijk, beide ongelijk volgens de andere partij. Dat zou niet erg zijn als gelijk en gelijk gelijk zouden zijn, althans zo zouden worden beschouwd. Als gelijk niet zou vragen om de vernietiging van het ongelijk.

13 aug. 2013

Ulrike Meinhof en de Göttinger Mescalero




Het woordje ‘klammheimlich’ kwam al snel weer bij me op al werd dat woord pas een jaar na haar dood en slechts tijdelijk een van de bekendste Duitse woorden. Ik heb het over Ulrike Meinhof en de Göttinger Mescalero.
Screenshot Zomergasten, Beatrice de Graaf
Ik kwam op het thema door de uitzending van Zomergasten van zondag 11 augustus 2013 waarin Wilfried de Jong af en toe door de haast onstuitbare woordenvloed van Beatrice de Graaf wist te breken. Van mij had hij dat niet of in ieder geval nog minder hoeven doen, want ik houd wel van mensen die weten waarover ze praten. Heerlijk, een avond lang luisteren naar iemand die de feiten kent, die verbanden legt en die dat doet als wetenschapper. Dat ze daarbij ook nog eens gelovig is, stoorde me helemaal niet, want haar geloof liep volgens mij nergens in de weg van haar wetenschap. Het gaf er hooguit een beetje richting aan. Niet ten onrechte wees ze er –na vragen van De Jong over de rol van haar geloof- op dat ook socialisme, communisme, liberalisme en rechts-radicalisme vaker een welhaast religieuze dimensie hebben voor de aanhangers ervan.

Het was een van de beste zomergastenuitzendingen die ik in jaren heb gezien. Maar goed, ik ben docent Duits en heb ooit ook nog geschiedenis gedaan. Dus ik voelde me wel thuis bij Beatrice de Graaf. Ze deed me denken aan mijn docent Nieuwste Geschiedenis aan de Lerarenopleiding. Vijgen heette hij. Hij kwam het lokaal binnen, haalde het gedoofde stompje sigaret tussen zijn lippen vandaan en begon te vertellen. Na twee uur stopte hij daarmee, maar ik was graag nog een uurtje aan zijn lippen blijven hangen. Ik zei al: ik geniet van mensen die hun feiten en verbanden kennen.
De Graaf had het dus onder andere over Ulrike Meinhof. Ulrike Meinhof
Ulrike Meinhof, 1964, Wikipedia
opereerde in de tijd dat ik mijn puberhormonen langzaamaan enigszins leerde om te zetten in interesse in de grotemensenwereld. Ik bewonderde haar. Klammheimlich, dat wel. Al kende ik dat woord toen nog niet. Ik bewonderde haar om haar omzetten van woorden in daden. Ze deed tenminste iets aan een maatschappij die totaal verrot was. Ik zat thuis Vrij Nederland en Hermann Hesse te lezen. Bij haar daden vielen gewonden en zelfs doden. Ik was vooral stoned.

De Graaf ondersteunde de visie op Meinhofs radicalisering die ik ooit ergens gelezen heb, ik weet niet meer waar: ze hielp mee bij de bevrijding van Andreas Baader (hetgeen op zich al vrij radicaal was) maar ze werd daarna door de pers (vooral die van Springer natuurlijk) zodanig als moordzuchtig onmens weggezet dat ze daar ook naar ging handelen.
Ze werd gearresteerd en gevangen gezet. In 1976 pleegde ze zelfmoord in de beruchte Stammheim-gevangenis, waar ook o.a. Andreas Baader en Gudrun Enslin gevangen zaten. Of was het geen zelfmoord? Nog steeds zijn er mensen die geloven dat ze door de autoriteiten is vermoord. Op de Engelstalige Wikipediapagina zijn veel argumenten te vinden om dit scenario te ondersteunen. De Duitstalige Wikipedia besteedt weinig aandacht aan die vraag, daar is de vraag naar de ‘receptie’ belangrijker. Hoe werd en wordt er over Ulrike Meinhof gedacht? Daarbij komen dan woorden als ‘hagiografie’ en ‘gevallen engel’ aan de orde.

Dat gaat natuurlijk te ver. Voor mij althans. Maar ik begrijp er ook wel weer iets van. Ik geloof dat het tijdens mijn eerste bezoek aan Berlijn (toen nog Oost- en West-) was, dat ik een boekje kocht met de titel ‘Bambule. Fürsorge - Sorge für wen?’ Het was het scenario voor een film die tegenwoordig op Youtube te zien is (zie hieronder) en waarvan Ulrike Meinhof het scenario schreef. De film zou op 24 mei 1970 door de ARD uitgezonden worden, maar omdat Meinhof tien dagen eerder aan de bevrijding van Andreas Baader had meegewerkt, vond men dat dat echt niet kon. Pas in 1994 werd de film voor het eerst op Duitsland 3 uitgezonden. De film geeft een goed beeld van de omstandigheden in kinder- en jeugdtehuizen van die jaren.

Ze was begaan met mensen. Ze wilde samen met de tijdgeest iets veranderen. En dat was nodig ook, want de Duitslanden waren in die tijd geen aangename landen. De jonge generatie verlangde naar verandering, en die verandering kwam. Jammer dat Ulrike Meinhof dat niet meer echt heeft meegemaakt. Jammer dat Ulrike Meinhof nooit de Buback-Nachruf heeft kunnen lezen.

De auto van Buback en de motor van de daders
Siegfried Buback (1920-1977) was Generalbundesanwalt aan het Bundesgerichtshof, een erg rechts figuur, getuige ook zijn lidmaatschap van de NSDAP (1940). Hij werd vermoord door het Kommando Ulrike Meinhof. Andere slachtoffers van deze aanslag waren zijn chauffeur en een beveiligingsbeambte. Ruim twee weken na deze moordaanslag verscheen in een krant van Göttinger studenten de Buback-Nachruf (in memoriam). 
De bekendste zin uit dit stuk is:
Meine unmittelbare Reaktion, meine "Betroffenheit" nach dem Abschuß von Buback ist schnell geschildert: ich konnte und wollte (und will) eine klammheimliche Freude nicht verhehlen.[i]
Oftewel: hij voelde een zekere genoegdoening bij de moord op Buback. Dat zinnetje is talloze malen herhaald in de pers en bij andere gelegenheden. Minder bekend zijn zinnetjes waarin de schrijver zich afvraagt:
Wie ich mir sicher sein kann, daß dieser und kein anderer sterben muß, wie ich in Kauf nehme, daß auch ein anderer dabei draufgeht, ein dritter vielleicht querschnittsgelähmt sein wird etc. etc.[ii]
Of:
Wir alle müssen davon runterkommen, die Unterdrücker des Volkes stellvertretend für das Volk zu hassen.[iii]
Of:
Unser Weg zum Sozialismus (wegen mir: zur Anarchie) kann nicht mit Leichen gepflastert werden.[iv]

De schrijver van dit stuk, met zijn Karl-May-achtige pseudoniem, zag het probleem. Hij is later leraar geworden en heeft (in 1999) een soort open excuusbrief geschreven aan de zoon van Buback. Ik weet niet wat hij in die brief heeft geschreven, behalve dat zijn woorden uit 1977 hem nu pijn doen. Die man heeft volgens de regels niets verkeerds gedaan, hij heeft gezegd wat hij dacht, hij heeft de moorden afgekeurd. En toch schaamt hij zich: omdat hij sprak over vreugde bij een sterfgeval.

Van die man wil ik leren. Tegen de verdrukking van de staat – en die was in die jaren ook in de BRD best heftig- en tegen de zuigkracht van de radicale oplossingen in, bleef hij nuchter en vooral menselijk nadenken.












[i] Mijn directe reactie op het neerschieten van Buback is eenvoudig: ik kon en wilde (en wil) een donkere vreugde niet ontkennen.
[ii] Hoe ik er zeker van kan zijn, dat net deze man moet sterven, en geen andere, hoe ik ermee kan leven dat ook een ander moet sterven, hoe een derde misschien verlamd raakt etc. etc. etc.
[iii] We moeten er allemaal mee ophouden de onderdrukkers van het volk te haten in naam van dat volk.
[iv] Onze weg naar het socialisme (wat mij betreft: naar de anarchie) mag niet met lijken geplaveid zijn.