27 feb. 2016

Teamblog



Jaren, jaren, jaren geleden moest ik van mijn middelbare school (Bernardinus College) naar een toneelstuk gaan kijken in de Stadsschouwburg van Heerlen. Huis Clos van J.P. Sartre. In dat stuk, dat zich afspeelt na de dood van de drie personages komt een wereldberoemde zin voor: "L'enfer c'est les autres". 

Wikipedia zegt daar het volgende over:
Met dit citaat, dat Sartre zware beschuldigingen heeft opgeleverd, bedoelt hij slechts dat het leven "wordt gevoeld, wordt beschouwd" door middel van de anderen; het zijn de anderen die ons bewust maken van onszelf en van de triestheid van het bestaan, en we hebben hen nodig om te bestaan. De drie protagonisten treden voortdurend met elkaar in discussie in een poging om aan hun situatie te ontsnappen, maar het is de hel die telkens opnieuw het pleit wint.

Ik weet niet zeker of ik het met deze softe uitleg van Sartre eens ben, volgens mij bedoelde de scheefgebekte filosoof gewoon wat er staat: De hel, dat zijn de anderen". Of, in het Engels: Hell is other people.

En dat laatste is dan weer een titel van de veel te weinig geprezen Nederlandse band Bettie Serveert. 



Bettie Serveert bestaat al langer dan sommige leden van ons team. Na een bescheiden beginnetje in 1986, begon het echte werk in 1990. Omdat ik in dat jaar ook al niet meer helemaal piep was, had ik in eerste instantie zoiets van: och ja, laat die jonkies, leuk. Ik kende de naam, had sporadisch iets gehoord, maar nou ja…

Pas na 2000 ontdekte ik de band voor mezelf. Dat kwam door de cd (dat is zo'n zilverkleurig rond plaatje, dat je in een apparaat kunt stoppen dat dan muziek laat horen) Log22. En van dat album dan weer vooral het nummer White Dogs.
Maar vooral kwam het natuurlijk door mezelf en allerlei gebeurtenissen in mijn leven. Daar ga ik nu niets over vertellen. Ik zal alleen een stukje uit de lyrics citeren:

I'm not your conquest, you can't conquer me
And you'll never tie me down unless you set me free.
(it's not just a word, you know)

Wat je met dit stukje tekst doet, moet je helemaal zelf weten. En ook de interpretatie van het zinnetje Hell is other People laat ik helemaal aan jou over.
(Het nummer is uiteraard te vinden op Spotify, niet op Youtube helaas, even zoeken dus.)

Zaterdag 12 maart treedt Bettie Serveert op in de ECI. Geheel tegen mijn gewoonte in wil ik mij een keer ontworstelen aan de Maastrichtse geneugten (i.c. Dianne) om samen met een stel van jullie daar eens naar toe te gaan. Gewoon voor de leut, of bij wijze van teambuilding. Nah, vergeet dat van die teambuilding, want bij concerten van goede bands ben ik altijd uitermate ongezellig, ik maak er dan namelijk een gewoonte van naar de muziek te luisteren. Tja.
Voel je tot niets verplicht, dat doe ik ook niet.



Ik hoor het wel.

21 feb. 2016

Angela

Laten we eerlijk zijn. Zou u haar daar hebben verwacht? Zou u niet verbaasd zijn geweest een (deze) vrouw in mantelpakje en pumps op de stam van een omgevallen boom te zien zitten? Een omgevallen boom in het hoge gras, ongeveer tien meter van het paadje dat vanaf de voormalige grenspost naar het gehucht verderop leidde. Een paadje dat alleen door de bewoners van de drie aangelegen huizen gebruikt werd en door een enkele verdwaalde wandelaar of fietser.  
Natuurlijk zou ook u verbaasd zijn geweest. En ook u zou hebben gevraagd of de vrouw hulp nodig had. Ze zat zo onhandig op de stam waarvan de meeste bast door weer, wind en passanten verwijderd was. 
Omdat de stam niet helemaal horizontaal lag, helde de vrouw een beetje naar links, maar niet zo erg dat ze met haar hand steun moest zoeken. Haar handen lagen op de handtas in haar schoot. 
Het zou overal een vreemd gezicht zijn geweest. Het lag niet aan Köpfchen, de grensovergang tussen Aken en het Belgische Raeren. 

Ik zag meteen dat zij het was. Ik noemde haar naam. Zij knikte. Zware oogleden, haar lippen licht bitter. Zartbitter was een beter woord, bedacht ik, als chocolade. Ik vroeg of ze hulp nodig had. Ze haalde een schouder op. Of ze iets wilde eten? Weer die schouder. Ik nam haar bij de linkerhand en leidde haar voorzichtig naar het smalle paadje. Het leidde ons tegen het talud omhoog naar de grote weg. Ze vroeg of we al in België waren. Ik wist het niet, maar wees naar de friture een kleine tweehonderd meter verderop. "Die is Belgisch, dat weet ik zeker, maar waar de grens precies loopt? Geen idee." 

Ik kneep zachtjes in haar bezwete hand. Het komt goed, wilde ik zeggen, maar ik keek alleen hoe ze me moeilijk lopend en lichtgebogen volgde. Toen ik weer naar de friture keek, leek die verder weg. Ik zocht naar schuilmogelijkheden langs de kant van de weg. We konden ons -als een auto ons achteropkwam- van het talud naar beneden, de weilanden in laten rollen. Maar er was geen verkeer. 

Ik vertelde haar hoe we dadelijk in mijn auto zouden stappen, beschreef de route. Van de grens, door de Voerstreek naar Moelingen en daar de grens over naar Eijsden. Als ze wilde, zou ik haar daar op het stationnetje afzetten. Dan kon ze van daaruit naar Den Haag. Of ik kon haar in Maastricht afzetten. Had ze geld? Ze knikte. 
Ik opende het portier. Ze stapte in. Vanuit de friture vier ogen. Ze verborg haar gezicht in het handtasje in haar schoot. 

Op het perron van station Eijsden kuste ik haar en wenste haar succes in Den Haag. "Groeten aan Mark." zei ik zo luchtig mogelijk. Ze liet mijn hand los, maar stapte niet in. "Hoe ver is Maastricht?"  vroeg ze. "Kilometer of tien". 


Ik parkeerde voor mijn deur. Jullie omsingelden de auto, zeiden mij uit te stappen, naar binnen te gaan. De volgende dag las ik het bericht.