19 mrt. 2011

Falleyn

Anton Falleyn wist altijd waar zijn nietmachine was. Hij had het apparaat gekregen van zijn vrouw toen hij ging werken voor de zaak, de Groothandel in Veevoeder en Zaden W. Depoortere en zoon. Hij had er een gewoonte van gemaakt het apparaat, een Zenith 520/E van de Italiaanse firma Balma Capoduri & C. uit 1943, bij zich te dragen in de rechterzak van zijn colbert en het daar pas uit te pakken als hij op zijn werk of thuis aan zijn bureau zat. Een enkele keer zette hij het tijdens het diner op de eettafel, maar dat was alleen als er gasten waren: als alleen zijn vrouw en hij aan tafel zaten droeg hij geen colbert. Dat hing dan over de rug van de eetkamerstoel tussen de tafel en de muur. Hij wist altijd waar het ding was.
Al lang voor haar vertrek had zijn vrouw het opgegeven de nietmachine in ieder geval ’s avonds uit de zak te halen. Ze had zich neergelegd bij de builen in het jasje, de scheefgetrokken schouders.
Anton Falleyn was geen gelukkig mens.

‘Eigenlijk ben ik een bewaarder,’ zei hij tegen zichzelf:’maar ik heb niets te bewaren, behalve dan mijn nietmachine.’
Hij stelde zich voor hoe zijn leven zou zijn geweest als hij wel iets had gehad, een schat aan munten liefst of gewoon maar een verzameling. Hij droomde wat had kunnen zijn. Hij droomde hoe hij dag na dag vitrines opende en de munten een voor een opnam en met een geelfluwelen doekje van afwezig stof ontdeed. Hij legde de munt terug, draaide hem een ietsje naar rechts, en weer terug. Als hij ze allemaal had gedaan sloot hij de vitrine, stofte - met een andere doek - het deksel af en keek en leek gelukkig.
Hij zou gelukkig zijn geweest. Zijn huwelijk zou gelukkig zijn geweest. En misschien zelfs zijn vrouw. Avond aan avond zou hij aan zijn bureau gezeten hebben. Avond aan avond zou hij munt na munt tussen zijn behandschoende vingers hebben genomen. Ja, hij zou handschoenen hebben gehad: zacht, wit en pluizig zouden zijn vingers elk stofje, elk vlekje hebben weggeveegd, de munten gestreeld, geliefkoosd. En ’s nachts in bed zou hij haar behandeld hebben als zijn grootste schat, zijn zeldzaamste munt: een gouden aureus met een beeldenaar van Nero, gevonden in Herculaneum en op de markt ten minste duizend euro waard.

Maar zo was het niet gegaan. Hij had alleen de nietmachine waarmee hij ’s avonds en in de middagpauze op het werk figuren niette in de blaadjes van notitieblokjes van zijn werk: blanco, twaalf bij acht centimeter. Hij was begonnen met eenvoudige figuren: een vierkant, rechte lijnen, combinaties van die vormen. ‘Gedwongen kubisme’, noemde hij het, omdat zijn techniek nog verre van volmaakt was. Hij bewaarde de blaadjes, zette er met een stempel een nummer op en stopte ze ’s avonds in een schoenendoos.

Zijn vrouw wist toen nog niet waarmee hij bezig was. Hij zat op zijn werkkamer, zij luisterde beneden naar de radio. Ze geloofde hem niet als hij zei dat hij achterstallig werk deed, maar ze vond het wel goed zo. Zijn verhalen over collega’s en ondergeschikten waren vervuld van een diepe minachting en iets anders dan kantoorverhalen had hij nooit te vertellen.

Na ongeveer negen maanden werd hij wat nonchalanter, sneller vooral in zijn nietwerk. Niet elk nietje sloot perfect aan op het volgende en. Er bleef wel eens een hoekje open. Een vierkant of een lijn was niet helemaal gesloten. Deze ‘open periode’ duurde echter niet lang omdat hij al snel merkte dat het verschijnsel zich vooral tijdens de pauze op het werk voordeed. Thuis deed hij zijn productie van die dagen zonder de blaadjes te nummeren in een nieuwe doos. Hij keek er nooit meer naar.

Zijn lunch (twee boterhammen met kaas) at hij aan zijn bureau. Zijn collega’s verza-melden zich meestal rond het bureau van Van Okkeren, aan de andere kant van de ruime zaal boven de laad- en losruimte. Falleyns plaats was aan het raam, maar hij keek nog maar zelden naar het af en aan van vracht- en bestelwagens. Hij nam af en toe een hap, een slok, maar concentreerde zich vooral op het nieten.
Aandachtig stopte hij het blaadje telkens weer tussen de voet van de nietmachine en de robuuste boog met daarin het mechanisme. Meestal duwde hij die vrij rustig maar met kracht naar beneden. Pas nadat hij de eerste smalende opmerkingen van zijn collega’s had gehoord, ging hij over op de harde korte slag waaraan hij later de voorkeur gaf.

‘Wat ben je toch aan het doen?’ vroeg zijn vrouw een paar dagen later. ‘Moest al die papieren aan elkaar nieten,’ gromde hij. ‘Hebben ze daar geen secretaresse voor? Moet jij dat doen?’ Hij haalde zijn schouders op.
Maar de volgende dag was zij stilletjes de trap opgeslopen. Ze had de deur zonder geluid weten open te maken en had (hij wist niet hoe lang) gekeken hoe hij een blaadje zorgvuldig keer op keer tussen de kaken van zijn Zenith stopte en daar, na een goedkeu-rende knik, een ferme tik op gaf. Ze zei niets. Ze graaide alleen even in de overvolle schoenendoos. En liep weer naar beneden. Toen hij van de schrik bekomen was, rea-liseerde hij zich dat hij iets uit te leggen had, al wist hij niet precies wat en zeker niet hoe.
In de woonkamer zat zij op de bank en huilde. ‘Wat is er?’ Een belachelijke vraag natuurlijk, maar hij vond niets beters. Zij keek alleen. Hij ging naar bed.

De volgende ochtend was de tafel niet gedekt. Alleen een briefje: ‘Ben weg’. Anton Falleyn moest zijn eigen boterhammen smeren. ‘Ben weg’, wat betekende dat? Was ze gisteravond naar een vriendin gegaan? Om daar te praten, haar leed te klagen? En kwam ze dan weer terug? Of had ze de nacht gebruikt om stil haar koffers te pakken en weg te gaan naar… Ja, waar naartoe? Hij durfde niet in de kasten te kijken of haar kleren weg waren, de koffers.
Hij zag op tegen de pauze. Hij kon toch niet gaan nieten nu, in deze situatie. Hij zou een stuk gaan lopen straks. Maar hij kon de Zenith ook niet meenemen. Hij zou hem moeten opbergen in een la, maar die kon hij niet afsluiten. ‘Mijn naam,’ dacht hij: ‘ik zet er mijn naam op.’ Hij nam een penseel en een tubetje plakkaatverf uit haar hobbyla. Hij deed een streepje gele verf op een notitieblaadje, doopte de penseel in zijn koffie en maakte de verf aan. In twee grote blokletters zette hij zijn initialen op de onderkant van de nietmachine: AF. Pas bij nader inzien zette hij een punt achter elke letter.

Vreemd om buiten te zijn, door de straten van zijn stad te lopen. Zomaar overdag, midden in de week. Vreemd licht. Zijn rechterhand jeukte. Hij wilde nieten. Wild nieten. De nietmachine hard op de kop slaan. Snel. En sneller. Slaan. Slaan. Slaan.

Terug op zijn werk pakte hij de Zenith meteen uit de la en zette hem op de gewone plaats. Hij probeerde zich te concentreren. Hij behandelde een klacht van een kleine detailhandelaar uit Meerzele. Onbelangrijk gezeur, bestellingen van niks. Hij moest er een afschrift van de originele bestelling bij doen. Hij pakte zijn apparaat: leeg. Vreemd. Dat overkwam hem nooit, hij zorgde altijd voor een goede vulling. Uit de la nam hij het pakje Zenith, 24/6, 5000 punti, art. nr. 515. ‘De scherpe uiteinden van de nietjes zorgen voor een goede perforatie’ citeerde hij stil de folder. Toen hij het apparaat op zijn zij legde, zag hij het. Iemand had met potlood op de onderkant geschreven:
‘A.F. is een zot’
Anton Falleyn stond op verliet de zaak, en kwam er nooit terug.

Enige maanden later woonde hij – noodgedwongen – op een kamer aan de rand van het centrum van de stad die een groot voordeel had boven andere adressen die hem waren aangeboden: zijn hospita, een vrouw van 67, was doof. Zijn onregelmatige slagen op de nietmachine stoorden haar niet. Ook haar hond reageerde niet op zijn geklop. Elke avond zat hij aan de tafel bij het raam en niette. Hij beperkte zich al lang niet meer tot vierkanten en lijnen. Hij had zelfs al eens een nagenoeg volmaakte cirkel gemaakt.
De voorraad papier en nietjes leek onuitputtelijk, daar had hij voor gezorgd toen hij nog werkte. Toch beperkte hij zich tot één werkstuk per dag. Het had met concentratie te maken. En met eerbied voor zijn werkstukken.
Hij werkte er ’s avonds aan. Overdag hield hij zich bezig met wakker worden en wandelen door de straten rondom zijn huis. Drie keer per dag maakte hij dezelfde ronde en dacht na over de oplossing van zijn probleem. De mond van zijn Zenith was zeven centimeter diep, het papier acht centimeter breed. Hoe kon hij een nietje in de overkant van zijn blaadje slaan zonder dat te kreuken? Hierbij waren een aantal overwegingen van belang:
Het blaadje omdraaien en zo in de rand van de gewenste kant nieten was geen oplossing omdat geen enkel nietje loodrecht in het papier terechtkwam. Ze werden allemaal een fractie van een millimeter schuin naar achteren gedrukt door de kracht van zijn slag. Dit had een grote invloed op de lichtval.
Een andere nietmachine met een diepere mond, was ook geen optie. Vooral omdat hij dat niet wilde. Ooit had hij een tweede machientje gekocht voor zijn correspondentie, maar daar zat zijn gevoel niet in: de slag was anders.
Natuurlijk kon hij – net als vroeger – het mechaniek heel voorzichtig omlaag drukken. Dan was er nauwelijks iets te zien van de bult die hij in het papier had moeten maken. Maar het resultaat was vaak een verwrongen metalen lijntje of een scheefgedrukte poot. Daarbij kwam dat hij wilde slaan.

Hij had een aantal alfabetten gemaakt, een letter per blad. De eerste met een enkele lijn die simpelweg de vorm van de meest eenvoudige hoofdletter volgde. Later probeerde hij een paar van de meest courante lettertypes te maken: Times New Roman, Courier.
Bij pogingen robuustere letters te maken stuitte hij weer op zijn probleem. Zo maakte hij een z waarvan de boven- en de onderlijn van rand tot rand van het papier liep. Per lijn had hij daarvoor 133 nietjes nodig. De laatste 17 daarvan hadden met het probleem van de lichtval te maken. Hij probeerde het op te lossen door te variëren in zijn slag.
Een lichte verkleuring op de bovenkant van het apparaat gaf aan waar zijn slag altijd neerkwam. Als hij de kracht daarvan iets naar achteren zou leggen zou het nietje allicht loodrecht in het (omgekeerde) papier terechtkomen. Na enige oefening misschien zelfs in dezelfde hoek als de overige 116 die van de andere kant ingeslagen werden.

Hij realiseerde zich dat deze verandering veel tijd in beslag zou nemen. Hij besloot dan ook zijn namiddagwandeling te schrappen en de tijd te gebruiken voor het oefenen van de slag. Bij de eerste slagen kwam het nietje niet helemaal uit het apparaat,steeds moest hij het met een tangetje lostrekken.
De tweede dag van de training verliep iets beter: het nietje kwam helemaal uit de Zenith, maar maakte krassen op en zelfs scheurtjes in het papier. Verheugd over de vooruitgang hield hij zich die avond helemaal niet bezig met zijn probleem, maar sloeg uit de losse pols een portret. Ontspanning, vond hij. Een grapje. Luchtigheid voelde hij.
Voldaan ging hij naar bed. Hij legde het portret op zijn nachtkastje en toen hij om drie uur even wakker werd, keek hij er met genoegen naar. Hij verheugde zich op de volgende dag.

Ten onrechte. Meteen na zijn eerste kop koffie begon hij aan de oefeningen. Niets lukte. Geen vooruitgang. Maar drie van de vijfentwintig nietjes die hij sloeg bleven in het papier haken. Zeven schoten er los uit en de rest moest met het tangetje verwijderd worden. Vallen en opstaan, dacht hij. Morgen gaat het weer beter. Niets overhaasten. Hij besloot de middagtraining over te slaan: hij was te gretig.

Die avond sloeg hij weer een gezicht. De smalle, de toegeknepen ogen deden hem aan zijn vrouw denken, zijn ex inmiddels. De lippen maakte hij vol. Althans dat probeerde hij. Hij plaatste de lijnen ver uiteen. Hij wilde de lijn tussen de lippen verdikken. Schaduw geeft diepte, dacht hij. En voor het eerst niette hij over een al geslagen lijn heen.

Het werd de gelukkigste periode in zijn leven. De productiefste tijd. Ze duurde nog geen week.
Die avond (het was een dinsdag) sloeg hij in totaal nog maar zes nietjes, allemaal over de onderste lijn van de onderlip. De schaduwwerking viel bij nader inzien een beetje tegen, maar hij zag meteen dat de lichtval op de nietjes die een tweede slag gekregen hadden veranderd was en meteen schoot hem een andere mogelijkheid te binnen: hij kon een lijn een tweede slag geven zonder een nieuwe lijn te maken als hij de nietjes uit het apparaat verwijderde.
Hij sliep goed die nacht.

De volgende ochtend stond hij fit op. Hij haalde brood, boter en kaas in huis. En koffie en wijn. Genoeg voor een week. Hij vroeg de hospita elke dag een thermoskan koffie en zes broodjes kaas voor zijn deur te zetten. De wijn bewaarde hij onder zijn bureau.
Uit de verschillende dozen waarin hij oud werk bewaarde, deed hij een willekeurige greep (behalve dan uit die met zijn open periode). Hij hing zijn werk met punaises aan de muren van zijn kamer. Er zat geen systeem in zijn expositie. Hij pakte een blaadje, nam een punaise uit het doosje en zocht een plekje op een muur. Intussen dronk hij wijn. Uit de fles. Hij had geen idee van de tijd, maar het was nog licht toen hij op bed ging liggen om even uit te rusten.

Toen hij wakker werd, kwam de zon weer op en scheen recht zijn kamer in. Hij stond op. Hoofdpijn.
Anton Falleyn liep langs de muren en raakte de werken die hij had opgehangen even aan. Strelend. Zo mooi in dit licht.
Hij dwong zichzelf tot een licht ontbijt, maar volgde intussen de reis van de zon over de muren. Hij maakte verschillende rondjes langs zijn werk en kon er niet van af blijven.

Pas laat in de middag, toen de laatste zon uit zijn kamer was vertrokken, ging hij aan zijn bureau zitten. Hij zette de Zenith in het bereik van zijn rechterhand, de blaadjes lagen links. Hij sloeg een lijn van boven naar beneden in het eerste blad. Daarna nam hij de nietjes uit het apparaat en gaf de tweede slag. Hij genoot van elke slag en van het resultaat.
Op het volgend blad maakte hij een lijn van links naar rechts. Een kruis daarna. Op het volgende blaadje volgde hij de randen. Hij nam een fles wijn.
Als een werk klaar was prikte hij het aan de muur achter het bureau. Twaalf stuks hingen er toen hij dronken ging slapen.

Tweehonderdvierenvijftig maal twee slagen. Hij bestudeerde de rode vlek op de aanzet van zijn pols. Een goed teken,vond hij. Hij keek naar het werk van de voorafgaande avond en zag dat dit slechts het begin was. Nu, wist hij, kwam het echte werk. Nu beheerste hij de techniek voldoende om echt te maken wat hij wilde. Nu kon de zoektocht beginnen naar de bron van zijn nieten, zijn kunst. Ja, zo durfde hij het nu te noemen, zijn kunst.

Anton Falleyn verorberde de broodjes die de hospita voor hem had klaargezet met smaak. Allemaal in een keer. De koffie deed hem goed.
Halverwege zijn ochtendwandeling keerde hij om. Tamelijk zinloos, bedacht hij, want gewoon verdergaan was even ver geweest. Maar hij bedacht dat hij niet had moeten beginnen aan dat ritueel: zijn werk riep, zijn kunst kon niet wachten. Alleen door terug te keren kon hij die fout nog herstellen.
Terug op zijn kamer trok hij meteen een fles wijn open.

Om half drie die middag werd hij wakker. Hij voelde dat hij nog steeds dronken was. Hij had uren aan een stuk gewerkt. Eerst nog een paar geometrische figuren gemaakt. Daarna begonnen aan een serie portretten. De eerste had hij opgehangen aan de muur, de rest lag verspreid over zijn bureau onder zijn hoofd, een stel op de vloer.
Ergens op de achtergrond voelde hij de pijn aan zijn pols. Hij keek er niet naar. Hij wilde verder. Hij nam een slok uit de tweede fles wijn. De eerste slagen waren nog wat gevoelig, maar al spoedig zat hij weer in de trance die hem ook die morgen gegrepen had. Hij zag alleen nog de portretten, de gezichten. Kende hij ze? Wist hij wie hij met metaaldraad in papier vereeuwigde? Soms meende hij zijn ouders te herkennen, soms een oog, de neus van zijn vrouw. Zelfs mensen van zijn werk. Maar nooit een gelijkend portret. De mond van Van Okkeren combineerde hij met het flapoor van zijn vader.
Het laatste werk van die avond leek nergens op, op niemand. Alle onderdelen van het gezicht waren nieuw voor Anton. De pijn aan zijn pols werd nog maar nauwelijks verdoofd door de alcohol. Hij wist niet of het de drank was of gewoon geluk dat door zijn lichaam stroomde. Hij likte de tranen van zijn bovenlip, uit zijn mondhoeken.
Hij veegde zijn bureau leeg, alle eerdere werk ging over de vloer. Rechts stond zijn Zenith, links lag het notitieblokje. Schuin daaronder zijn laatste werk. Hij keek. Hij streelde de dikke knobbel die zich tussen zijn hand en zijn pols had gevormd: zwartblauw. Hij keek. Hij zag zijn werk en was gelukkig.

De volgende ochtend, het was zondag, werd hij wakker door het geklop op zijn deur. Het was zijn hospita. Ze bonsde op de deur (maar dat deed ze altijd: ze wilde zichzelf horen). Ze riep: ‘Meneer Falleyn! Meneer Falleyn! Doe open! Meneer Falleyn!’
‘Zet de broodjes maar voor de deur.’kreunde hij. Hij wist dat ze hem niet hoorde. Stekende hoofdpijn. Misselijk, braakneigingen. En vreselijke steken in zijn hand.
Hij zag zijn vrouw in de deur staan. De gesloten deur. Ze zei niets en toch hoorde hij steeds zijn naam. ‘Anton, Anton.’
‘Ga weg, mens!’

Maar de deur ging open. De hospita kwam binnen. Daarna een man. En nog een, in uniform.
Hij keek naar zijn pols: de zwelling was gegroeid. Donkerder geworden. Hij kon zijn hand niet bewegen.
Zijn kamer was vol mensen. Hij zag een brancard. Hij voelde hoe hij werd opgepakt, op de brancard gelegd.
Met zijn linkerhand wees hij naar zijn Zenith. Ongeduldige bewegingen. Grijpbewegingen.
Een ziekenbroeder haalde zijn schouders op en stopte het ding in zijn linkerhand. Anton Falleyn klemde het tegen zijn borst.

Toen Anton Falleyn terugkeerde in zijn kamer waren de muren leeg. De hospita had de werken opgeborgen in de verschillende schoendozen die ze in zijn kamer had aangetroffen. De Zenith stond op een notitieblokje in de verre rechterhoek van het bureau. Verder stond er niets op.
De hospita had hem uitgenodigd te komen eten die avond: ‘We zijn er om elkaar te helpen, nietwaar.’
Onhandig prakte hij met links de aardappels, zij sneed zijn vlees.
Zijn rechterhand – nu nog ingepakt in dik verband – zou ook later niet meer bruikbaar zijn, behalve dan voor wat steun- en klemwerk bij het openen van een pot appelmoes en dergelijke klusjes.
Hij hielp de hospita door haar hond drie keer per dag uit te laten. Ze was slecht ter been.
Lange wandelingen: ’s morgens langs de rivier, ’s middags door de velden aan de rand van de kleine stad. Precies om zes uur was hij terug van die laatste tocht. Dan ging hij naar zijn kamer, nam plaats achter zijn bureau en opende een doos. Hij stalde de werken voor zich uit. Hij keek. Hij raakte ze aan. Voorzichtig verwijderde hij af en toe een vuiltje. Hij zag zijn oude werken, behalve die uit de open periode. En het laatste portret. Dat was onvindbaar.
Hij zat en keek tot het acht uur was. Dan ging hij naar beneden en schoof aan aan tafel. Hij vroeg of zij zijn portret gezien had, of ze wist waar het was. Zij begreep niet waarover hij het had: ze had alles bij elkaar in een doos gestopt. Na een week vroeg hij niet meer.
Om tien uur liet hij de hond de laatste keer uit. Zijn oude route, het kleine blokje om. Net genoeg voor de hond om zijn behoefte te doen. Daarna ging hij naar bed.